Vulcaanhaven, 1958. NorfolklineBegin 2005 maakte Norfolkline bekend te willen verhuizen naar de Vlaardingse Vulcaanhaven. Deze locatie bood de mogelijkheid om omgebouwd te worden tot een ferryterminal met een oppervlakte van ongeveer twee keer de afmeting van de terminal op Scheveningen. De Vulcaanhaven, de grootste particuliere haven van Europa, geniet vooral bekendheid door het Havenbedrijf Vlaardingen-Oost dat sinds 1919 van groot belang was voor de Vlaardingse werkgelegenheid.
Thyssen-BornemiszaDe familie Thyssen-Bornemisza die grote belangen had in kolen- en ertsmijnen en in de staalindustrie, exploiteerde onder meer de in 1851 opgerichte scheepswerf VULCAN in Stettin.
In 1913 kochten haar N.V.’s ‘Handels- en Transportmaatschappij Vulcaan’ en ‘Vulcaan Kolenmaatschappij’ het opgespoten stuk grond tussen de Schiedamsedijk en de Nieuwe Maas om er een ertsoverslagbedrijf te stichten.
Deze familie was ook eigenaar van Rijnrederij Vulcaan met een binnenvaartvloot en van de Halcyon Lijn met z’n eigen zeeschepen, waaronder in die tijd de Vredenburg en de Maasburg wel de bekendste waren.
Later werden dit de stadsschepen, waaronder de 'Stad Vlaardingen' met zijn laadvermogen van 12.000 ton, die rond 1950 één van de grootste vrachtschepen was.
Dat deze schepen vaak de Vulcaanhaven bezochten, blijkt uit het feit dat in de periode van 1948 tot 1972 door deze stadsschepen niet minder dan 476 reizen op de Vulcaanhaven werden gemaakt.
Het schip 'Stad Vlaardingen' was daarin koploper met 50 reizen. Deze schepen werden met name door Vlaardingers bemand, zodat de bijnaam 'Vlaardinger Lloyd' luidde. Op deze schepen bevonden zich gemiddeld 30 bemanningsleden.
Opslag en overslag
Het eerste schip, het stoomschip ‘Bruckhausen’ met 2.500 ton erts aan boord, arriveerde reeds op 3 januari 1920 in de haven. Op weg naar Rotterdam was de Vulcaanhaven overigens niet de enige overslagplaats die men tegenkwam. Op de plaats waar later het vrieshuis bij Poortershaven zich bevond, bestond reeds tussen Hoek van Holland en Maassluis het overslagbedrijf van Jos de Poorter, die daar met eigen schepen erts aanvoerde en oversloeg. Hij deed dit met arbeiders uit Rozenburg, Maassluis en Vlaardingen. Het betrof met name vissers die vanwege het mijnengevaar in de Eerste Wereldoorlog brodeloos waren.
Om een indruk te geven van wat er allemaal plaatsvond in de Vulcaanhaven, volgen hier enige cijfers. In 1925 werd overgeslagen 2.103.652 ton ijzererts, 400.785 ton kolen en aan diversen 126.291. Dus een totaal van 2.630.728 ton, die door 593 zeeschepen was aangevoerd en werd doorgevoerd met 2.699 binnenschepen.
Bij het graven van de Vulcaanhaven werd achter de kademuur een ertsput aangelegd voor de opslag van erts en kolen (afmeting 400 x 100 meter) om in tijden van lage waterstand of vorstperiode goederen in opslag te kunnen nemen. Deze put werd door de laad- en losbruggen volledig bestreken en had een capaciteit van één miljoen ton.
Vóór de Tweede Wereldoorlog was 1926 het belangrijkste jaar. Door de kolenstaking in Engeland werd niet minder dan 1.556.923 ton kolen overgeslagen, doordat 1.020 zeeschepen de Vulcaanhaven (daarvoor ook al een belangrijk bunkerstation) aandeden. Grote lijnboten van Hapag, Norddeutscher, Lloyd alsmede de Zweede Kruisers Fylgia met aan boord een Zweedse prins, en Oskar II kwamen bunkeren. Sommige namen wel vier- tot vijfduizend ton mee.
Havenbedrijf Vlaardingen-OostOp 31 december 1919 werd bij een Rotterdamse notaris een oprichtingsakte gemaakt voor de naamloze vennootschap Havenbedrijf Vlaardingen-Oost N.V., waarvan artikel 9b van de statuten luidde: ”Het doen stichten van gebouwen en het doen bouwen van schepen en vaartuigen”. Dit artikel in de statuten opende dus de mogelijkheid tot scheepsbouw, wat een doordachte zet bleek te zijn. Doordat zeeschepen snel schade opliepen door de enorme zware grijpers of door stormweer of doordat de schepen anders averij hadden opgelopen, had men al gauw door dat ook daaraan geld te verdienen viel. Hieruit is dan ook later de Scheepswerf, Machinefabriek en Constructiewerf H.V.O. ontstaan.
In 1923 werden bij Havenbedrijf Vlaardingen-Oost twee grote laadbruggen in gebruik genomen zodat er ook daar nog meer arbeiders, waaronder veel uit Rozenburg, bij kwamen.Er waren bij H.V.O. 110 man in vaste dienst, waarvan 50 man in de fabriek en nog 240 losse arbeidskrachten. Nadat in 1944 de gehele kade en de kranen door de Duitsers vernield waren, werd in 1945 snel met de wederopbouw begonnen. Daar was eerst de opslag van Rijkswaterstaat. Enorme voorraden ijzer werden aangevoerd, zoals betonijzer, profielijzer en landingsmatten van staal, die gebruikt waren bij de landing in Normandië.
Door de fabriek van H.V.O. werden Baily en Calender Hamilton-materialen voor de noodbruggen in elkaar gezet. In 1951 werd een dwarshelling in gebruik genomen en in 1952 werd de zeesleper Trapu gebouwd. Daarna volgden: tanks voor de Nieuwe Matex, hangars voor de luchthaven Rotterdam Airport, staalbouw voor het Gemeente Abattoir Rotterdam, staalbouw voor de Gemeente Dieren, sluisdeuren, meerboeien, grijpers, kranen en vele reparaties aan zeeschepen.

In de haven waren rond 1950 spoedig drijvende kranen beschikbaar. In 1955 twee laadbruggen, in 1958 gevolgd door de derde brug (in 1999 is overigens één van die drie laadbruggen ‘geruisloos’ verdwenen!). De schepen werden groter, zodat Frans Swarttouw, vanwege de diepgang, in 1964 besloot van de Waalhaven naar de Lauwershaven te verhuizen.
Eind 1969 zouden alle machinale stuwadoors het Rotterdamse havenbeeld verlaten. Havenbedrijf Corn. Swarttouw, Hollandse Stuwadoor, Aegir, Frans Swarttouw, Havenbedrijf Vlaardingen-Oost N.V. (HVO) kwamen een fusie overeen met 65% Thysssen-Bornemisza en 35% Internatio Muller. Men ging verder onder de naam: Frans Swarttouws’ Havenbedrijf Laurenshaven en Vulcaanhaven. Alleen de naam Aegir bleef nog enkele jaren bestaan, hoofdzakelijk voor het lossen van lijnboten.
In hetzelfde jaar werd ook de werf van I.S. Figee opgekocht door HVO. Figee was de enige scheepswerf uit de Havenstraat die verhuisd was naar de Koningin Wilhelminahaven, alwaar lange tijd twee drijvende dokken van deze firma functioneerden. Deze dokken verhuisden in 1969 naar de Vulcaanhaven, waar ze een welkome aanwinst waren voor HVO.
Dat de Vulcaanhaven veel betekend heeft voor Vlaardingen staat onomstotelijk vast. Rond 1970 werkten daar circa 1.500 mensen.
Dat Vlaardingen de derde havenstad van Nederland was, was vooral aan de Vulcaanhaven te danken. In de naoorlogse jaren bezochten jaarlijks meer dan 1.000 zeeschepen, van coasters tot bulkcarriers van 60.000 ton, en meer dan 4.000 binnenvaartschepen deze haven. Zeelieden uit Duitsland, Engeland, Zweden, Noorwegen, Italië, Griekenland, Rusland om er maar enkele te noemen, en de schippers van de binnenvaart, waren graag geziene gasten voor de middenstand van Vlaardingen. Zij vervoerden ertsen, kolen, piekijzer, buizen, fosfaten, bauxiet, schroot, kaolin, ja zelfs vee, zoals koeien, varkens en schapen via deze haven.
Aan het eind van de 20e eeuw heeft de scheepvaart zich, zowel in Rotterdam als in Vlaardingen, met name in verband met diepgang en milieuoorzaken verplaatst naar de Europoort.

In de periode 1945-1989 passeerden 31.659 zeeschepen, 120.336 rivierschepen en werden 158.604.174 machinale tonnen verwerkt. ‘En dat allemaal, omdat Vlaardingen aan het water lag’, zo beëindigt oud-HVO-er Jan Keizerwaard zijn relaas in het Open Monumentendag-nummer van het tijdschrift MUSIS in 2000.
Afbeeldingen:
Vooroorlogs Halcyonschip ss Stad Vlaardingen in de Vulcaanhaven, ca. 1925.
Portret Duitse ingenieurs die betrokken waren bij de bouw van de laadbruggen, 1923.
Omslag reclamebrochure van het overslagbedrijf Frans Swarttouw, z.j.
Vulcaanhaven met laad- en losbruggen van de voormalige EBS (European Bulk Service), nu RBT (Rotterdam Bulk Terminal), Foto Jan Borsboom, 1998.