| Overheidsorganisatie: | gemeente Vlaardingen |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling: | Erfgoedverordening Vlaardingen |
| Citeertitel: | Erfgoedverordening gemeente Vlaardingen |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld): | |
| Besloten door: | gemeenteraad |
| Onderwerp: | algemeen volkshuisvesting en woningbouw |
Nationale wetgeving
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 28-10-2010 | nieuwe regeling | 30-09-2010 Gemeenteblad,
2010, 62. 20-10-2010 |
VLD/2010/26673
|
| Erfgoedverordening Vlaardingen | + |
Deze verordening verstaat onder:
a. gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:
1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;
b. gemeentelijk archeologisch monument: een terrein als bedoeld in lid a, sub 2, waar archeologische waarden in de bodem liggen;
c. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;
d. beschermd monument: monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Rijksmonumenten);
e. beschermd stads- en dorpsgezichten: monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
f. gemeentelijk stadsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, in welke groepen zich al dan niet één of meer monumenten bevinden en die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk stadsgezicht zijn aangewezen;
g. gemeentelijke buitenplaats: onroerende zaak met daarop gelegen een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van tenminste één hectare waarvan de aanleg dateert van voor 1850 en herkenbaar aanwezig is, indien dit complex, dan wel tenminste één van de onderdelen daarvan een beschermd monument is dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Monumentenwet 1988 en overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermde gemeentelijke buitenplaats is aangewezen;
h. beeldbepalend object: object, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening, waarvan het straatbeeld wezenlijke (bouw)historische kenmerken vertoont, danwel een wezenlijk onderdeel vormt van de historisch gegroeide structuur van zijn nabije omgeving;
i. monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;
j. archeologisch monument: een terrein met bekende archeologische waarden, dat is aangegeven op de Archeologische Monumentenkaart van de provincie Zuid-Holland en opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur;
k. archeologisch trefkans-gebied: gebied, aangegeven op de CHS, met een redelijk tot grote, of met een zeer grote trefkans op archeologische sporen;
l. historische stads- en dorpskern: gebied, aangegeven op de CHS, waarbinnen de bebouwing van een stad of dorp tot omstreeks 1850 was geconcentreerd;
m. archeologisch meldingsgebied: gebied dat een archeologisch monument, een archeologisch trefkansgebied, of beide is;
n. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS): een overzicht van cultureel erfgoed in de provincie Zuid-Holland, een topografische kaart waarop onder andere archeologische monumenten en archeologische trefkans-gebieden staan aangegeven;
o. VLAK: Vlaardings Archeologisch Kantoor: onderdeel van de gemeente Vlaardingen dat zich bezig houdt met de archeologische monumentenzorg binnen de gemeente;
p. archeologische waarnemingen: activiteit, niet zijnde opgraven in de zin van de Monumentenwet 1988, gericht op het waarnemen en documenteren van archeologische sporen en verzamelen van vondsten;
q. stadsarcheoloog: de functionaris van de gemeente Vlaardingen die de functie van stadsarcheoloog uitoefent;
r. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
s. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
t. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
u. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen.
1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie. Het college laat de monumentencommissie uiterlijk twee weken nadat het besluit is genomen schriftelijk weten of het advies gevolgd is.
3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het overleg met de eigenaar
4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Zuid Holland.
1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.
1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.
2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.
3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.
4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.
1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies.
2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.
De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:
1. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
2. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie.
2. De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.
1. Het college kan een beeldbepalend object aanwijzen als beschermd beeldbepalend object.
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.
1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.
1. Het college registreert het beelbepalend object op de lijst beeldbepalende objecten.
2. De lijst beeldbepalende objecten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de omschrijving van het object, een beschrijving van de bouwhistorische kenmerken danwel de historische structuur in de omgeving.
3. Bij de herziening of vaststelling van het betreffende bestemmingsplan worden de beeldbepalende objecten daarin opgenomen.
1. Het college kan gebieden aanwijzen als gemeentelijk stadsgezicht.
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.
3. De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet.
1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.
1. De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.
3. Voordat het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet, wordt de monumentencommissie gehoord.
1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een zaak aanwijzen als gemeentelijke buitenplaats.
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.
3. De aanwijzing kan geen zaak betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van artikel 4 van de Monumentenverordening Zuid Holland.
1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.
1. Het college registreert de gemeentelijke buitenplaats op de gemeentelijke monumentenlijst.
2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van de beschermde gemeentelijke buitenplaats en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.
1. Het is verboden om zonder vergunning in een gemeentelijk archeologisch monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, de bodem dieper dan 30 cm onder het oppervlak te verstoren.
2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
a. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
i. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
ii. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
iii. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
b. de activiteit plaatsvindt in het kader van de archeologische monumentenzorg.
3. Het rapport zoals bedoeld in lid 2 onder a dient bij de aanvraag van de vergunning te worden ingediend.
4. Aan de vergunning kunnen door het college voorschriften worden verbonden in het kader van de archeologische monumentenzorg, waaronder:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen om het monument in de bodem te kunnen behouden;
b. de verplichting tot het doen van een opgraving, of
c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt archeologisch te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg zoals bedoeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
5. Alvorens over het verlenen van de vergunning te beslissen wint het college advies in bij de stadsarcheoloog.
1. Het uitvoeringsmoment van bodemverstorende plannen in een meldingsgebied worden tien werkdagen voorafgaand aan de verstoring bij het college gemeld.
2. De verplichting in lid 1 is niet van toepassing indien:
a. het een activiteit betreft waar geen vergunning voor is vereist
b. de bodem minder diep dan 30 cm wordt verstoord
c. de bodemverstorende activiteit ten behoeve van de archeologische monumentenzorg uitgevoerd wordt.
3. De aanvrager van de vergunning stelt medewerkers van het VLAK in de gelegenheid om archeologische waarnemingen te kunnen verrichten.
Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:
a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;
b. de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;
c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;
d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 34.
1. De op grond van de onder artikel 38 ingetrokken Monumentenverordening Vlaardingen 2000 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 38 ingetrokken verordening.