| Overheidsorganisatie: | gemeente Vlaardingen |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling: | Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009 |
| Citeertitel: | Terugvordering en verhaal SZW 2009 |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld): | |
| Besloten door: | college van burgemeester en wethouders |
| Onderwerp: | financiën en economie |
Nationale wetgeving
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 17-12-2009 | nieuwe regeling | 27-10-2009 Gemeenteblad,
2009, 57. 16-12-2009. |
VLD/2009/59607
|
| Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009 | + |
1. Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk en Bijstand, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet investeren in jongeren, de Wet kinderopvang, de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek.
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
- WWB: Wet Werk en Bijstand;
- WIJ: Wet investeren in jongeren;
- WI: Wet inburgering
- Wko: Wet kinderopvang;
- Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen;
- IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- BW: Burgerlijk Wetboek;
- Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
- Wet SUWI: Wetstructuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;
- Bestuursrechtelijke geldschuld: de verplichting tot betaling van een geldsom van de burger aan de gemeente waarop titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is,
die voortvloeit uit:
o een besluit tot terugvordering (incl. als geldlening verstrekte (bijzondere) bijstand) als bedoeld in paragraaf 6.4 van de WWB;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in hoofdstuk VI van het Bbz (zowel periodieke uitkering als bedrijfskrediet);
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in paragraaf 5 van de IOAW en IOAZ;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIJ;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in paragraaf 6 van de Wko.
- Schuldenaar: degene(n) aan wie een bestuursrechtelijke geldschuld is opgelegd.
- Regeling: onderhavige beleidsregels terugvordering en verhaal.
1. Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid, om:
a. bijstand terug te vorderen als bedoeld in artikel 58 WWB;
b. uitkering terug te vorderen als bedoeld in artikel 25 IOAW;
c. uitkering terug te vorderen als bedoeld in artikel 25 IOAZ;
d. kosten van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening terug te vorderen als bedoeld in artikel 54 WIJ;
e. de tegemoetkoming terug te vorderen, als bedoeld in artikel 38 Wko.
2. Voor zover dit vereist is om tot terugvordering te kunnen overgaan, maakt het college tevens gebruik van de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een verstrekking als bedoeld in het eerste lid, te herzien of in te trekken.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van dringende redenen.Van dringende redenen om geheel of ten dele van het vaststellen van een bestuursrechtelijke geldschuld te kunnen afzien is slechts sprake als zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en de op te leggen geldschuld onaanvaardbare gevolgen heeft voor het fysieke–en/of geestelijke welzijn van de belanghebbende.
1. Indien de bestuursrechtelijke geldschuld betrekking heeft op ten onrechte of teveel verstrekte periodieke bijstand o.g.v. de WWB of inkomensvoorziening o.g.v. de WIJ die binnen het relevante fiscale jaar niet of niet geheel is/wordt afgelost, wordt deze of het restant daarvan vastgesteld op het aan de schuldenaar uitgekeerde bedrag verhoogd met de daarover afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke premie o.g.v. de Zorgverzekeringswet, voor zover die loonbelasting en premies niet verrekend zijn of konden worden met de Belastingdienst.
2. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien sprake is van een geldschuld die is ontstaan buiten toedoen van de schuldenaar en hem niet kan worden verweten dat hij de geldschuld niet al heeft voldaan:
a. in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, of
b. in het jaar van oplegging.
1. Het college ziet af van terugvordering als bedoeld in artikel 4, indien de geldschuld lager is dan het bedrag, bedoeld in artikel 1 van de Regeling terugvordering geringe bedragen.
2. Het college ziet af van terugvordering als bedoeld in artikel 4, indien de geldschuld minimaal het grensbedrag bedraagt, genoemd in de Regeling terugvordering geringe bedragen, maar lager is dan € 150,-, tenzij de geldschuld verrekend kan worden met de bijstand, de uitkering, de inkomensvoorziening of de tegemoetkoming.
1. Een besluit tot terugvordering vermeldt:
a. de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken van de
betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen en/of
een verzoek in te dienen tot een betalingsregeling;
b. de aankondiging dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel en/of verzoek tot betalingsregeling ingevolge sub a, de gemeente
gerechtigd is om zonder verdere vooraankondiging, de vordering ter executie over
te dragen aan een derde (deurwaarder of incassobureau);
c. de vermelding dat executiekosten zoals genoemd onder sub b, voor rekening van
belanghebbende zijn.
2. De termijn van betaling wordt in het besluit tot terugvordering gesteld op zes weken te
rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.
1. De betaling door de schuldenaar geschiedt door bijschrijving op de daartoe door het college bestemde bankrekening.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen geldschulden ook aan de kas van de gemeente worden voldaan, indien girale betaling naar het oordeel van het college bezwaarlijk is.
3. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van de gemeente wordt gecrediteerd.
4. Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling.
5. Bij betaling aan de kas ontvangt de schuldenaar een kwitantie.
Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:
1. betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler;
2. betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven ( de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande vorderingen, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken.
3. de betaling strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens tot vermindering van de verschenen rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de eventuele lopende rente.
1. Daar waar de gemeente bij de invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld de bevoegdheid heeft om gebruik te maken van het recht tot verrekening of zich bij de invordering kan beroepen op preferentie, zal van dat recht gebruik gemaakt worden om de gehele geldschuld, inclusief eventuele wettelijke rente en invorderingskosten, zo spoedig mogelijk ingevorderd te krijgen.
2. Het onder 1 vermelde, laat onverlet dat de gemeente kan besluiten om medewerking te verlenen aan schuldhulpverlening.
1. De gemeente maakt gebruik van het middel van conservatoir -en executoriaal beslag daar waar dat bijdraagt aan de (snelle) invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld.
2. Bij de keuze om het instrument: beslag toe te passen wordt wel een kosten-batenafweging gemaakt. Indien beslag op vereenvoudigde wijze kan plaatsvinden, wordt daar de voorkeur aan gegeven.
3. Ingeval van een voornemen om beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de schuldenaar moet aannemelijk zijn dat het voor beslag vatbare deel hoger is dan € 2500,--.
1. Indien belanghebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingsverplichting 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand exclusief vakantietoeslag.
2. Indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, bedraagt de aflossingsverplichting 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag. De vakantietoeslag dient belanghebbende ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college geïnd op het moment dat het feitelijk beschikbaar komt voor belanghebbende.
3. De aflossingsverplichting voor belanghebbenden met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt:
a. Indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht: 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag vermeerderd met 60% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Het vakantiegeld dient belanghebbende maandelijks ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college maandelijks geïnd.
b. In de overige omstandigheden: 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Het vakantiegeld dient belanghebbende maandelijks ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college maandelijks geïnd.
4. Een belanghebbende die een WWB-, WIJ- of IOAW-, of IOAZ-uitkering heeft ontvangen wordt, wat betreft de hoogte van de vast te stellen aflossingsverplichting, gedurende een periode van 18 maanden na beëindiging van de uitkering gelijkgesteld met een WWB-, WIJ-, IOAW- of IOAZ-uitkeringsgerechtigde indien de hoogte van het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm.
5. In geval van beslaglegging door een derde (andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op 10% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief vakantiegeld plus 100% van het meerdere, zijnde de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d Rv.
6. Wanneer belanghebbende de informatieplicht (m.b.t. de informatie die nodig is om de aflossingsverplichting vast te stellen) niet nakomt, bedraagt de aflossingsverplichting 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.
1. Een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende kan achterwege blijven indien belanghebbende:
a. een betalingsvoorstel heeft gedaan aan het college op basis waarvan de vordering zal zijn voldaan binnen een periode van 36 maanden te rekenen vanaf het moment van ingang van de aflossingsverplichting en
b. het aflossingsbedrag per maand minimaal gelijk is aan 7,5 % van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld.
2. Het college kan het verzoek van belanghebbende ingevolge lid 1 afwijzen indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht dan wel indien belanghebbende in de periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan.
1. Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens ingevolge artikel 16 indien een draagkrachtonderzoek daartoe aanleiding geeft.
2. Het college stelt nadere regels over de periode en de frequentie waarbinnen het draagkrachtonderzoek wordt gedaan.
1. Belanghebbende kan een verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting.
2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
3. Het besluit wordt genomen met inachtneming van de regels zoals neergelegd in artikel 14, 15 en 16 van deze regeling.
1. Belanghebbende ontvangt een betalingsherinnering indien de belanghebbende niet tot betaling van de vordering overgaat of niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde of overeengekomen aflossingsverplichting niet meer nakomt. Indien betaling wederom uitblijft ontvangt belanghebbende een aanmaning, als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
2. De termijn van betaling wordt in de betalingsherinneringen en de aanmaning gesteld op 10 dagen te rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.
3. Indien belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke regeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het invorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:
ab verrekening met de periodiek verleende bijstand ingevolge de WWB, WIJ, Wko, IOAW of IOAZ op grond van artikel 4:93 Awb, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid,
b. een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv,
c. een executoriaal of conservatoir beslag op roerende of onroerende goederen, overeenkomstig het Tweede boek Rv.
4. Indien een belanghebbende binnen een periode van een jaar na eerder te zijn aangemaand en voldaan te hebben aan zijn aflossingsverplichting, wederom nalatig blijft met de (tijdige) nakoming van zijn aflossingsverplichting, dan is het college bevoegd, zonder nadere schriftelijke aanmaning, om terstond gebruik te maken van zijn bevoegdheden zoals beschreven in het derde lid van dit artikel.
5. Indien het college de vordering ter executie overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, dan worden de door de derde gemaakte kosten volledig doorberekend aan belanghebbende.
6. Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente.
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het uitvaardigen en ten uitvoer leggen van een dwangbevel, indien dit op grond van bijzondere wetgeving is toegestaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten de schuldenaar te dagvaarden voor de civiele rechter ten einde de geldschuld vast te doen stellen, indien het vermoeden bestaat dat de schuldenaar inkomsten of vermogensbestanddelen buiten Nederland heeft.
3. De verschillende betalingsverplichtingen o.g.v. verschillende vorderingen worden zoveel mogelijk gelijktijdig in één dwangbevel opgenomen, conform art. 4:119 Awb.
1. Onverminderd artikel 8, is het college bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 én het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht en € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
1. Van de bevoegdheid om aanmaningskosten, conform artikel 4:113 Awb in rekening te brengen wordt geen gebruik gemaakt.
2. indien periodieke bijstand als lening is verstrekt onder verband van krediethypotheek, wordt te rekenen vanaf de beëindigingdatum van de periodieke bijstand gedurende 10 jaar geen rente berekend. Na afloop van die termijn wordt de wettelijke rente in rekening gebracht.
1. Indien de gemeente een bestuursrechtelijke geldschuld verschuldigd is aan de burger en de gemeente in verzuim is vanwege het niet binnen de voorgeschreven termijn betalen van die geldschuld, wordt ambtshalve overgegaan tot toekenning van de verschuldigde wettelijke rente.
2. Een ambtshalve beslissing zoals bedoeld onder lid 1 wordt bij beschikking aan de burger medegedeeld tenzij de rentevergoeding een direct gevolg is van de uitvoering van een gerechtelijk vonnis.
1. Het college maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 56, 61 en 62 WWB of artikel 57 WIJ, tenzij in deze regeling anders is bepaald.
2. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde beleidsregels tevens van toepassing op verhaal ingevolge artikel 57 WIJ.
1. Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar.
2. Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
1. De verhaalsbijdrage ingevolge artikel artikel 62 WWB wordt opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving.
2. De termijn van betaling wordt in het verhaalsbesluit gesteld op zes weken te rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.
1. Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van het college vastgestelde bijdrage te voldoen, dan wordt die uitspraak ingevolge artikel 62i WWB ten uitvoer gelegd door middel van verrekening als bedoeld in artikel 60 derde lid WWB, dan wel executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv. Daarbij maakt het college gebruik van de aan de verhaalsvordering bevestigde preferentie.
2. Ten aanzien van de invordering van verhaalsbijdragen, is afdeling 2 van Hoofdstuk II van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 24 tot en met 28.
1. Eén keer per 36 maanden verricht het college onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vastgesteld.
2. Er wordt niet overgegaan tot een nieuw verhaalsbesluit ingevolge artikel 62 WWB indien:
a. uit het draagkrachtonderzoek blijkt dat de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 50,00 per maand of
b. het woonadres en de gezinssamenstelling van de belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek gelijk zijn gebleven en het gezinsinkomen van belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek met minder dan 15 % bruto is gestegen.
1. In afwijking van beleidsregel 19 kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voorzover het betreft verschuldigde verhaalsbijdragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en;
c. de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in lid 1 onder b tot stand is gekomen.
3. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in lid 1 genoemde voorwaarden onder a, b en c;
b. de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of;
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
1. Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 én het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot € 5.000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
1. Het college kan ingevolge artikel 55 WWB of artikel 57 WIJ de verplichting aan de bijstandsgerechtigde opleggen dat hij of zij de benodigde stappen onderneemt om de onderhoudsbijdrage conform de rechterlijke uitspraak met betrekking tot de alimentatie, van de onderhoudsplichtige af te dwingen, zo nodig door inschakeling van derden, zoals het LBIO of deurwaarder.
2. Indien incasso volgens lid 1 niet tot resultaat leidt of indien in bijzondere gevallen dit in redelijkheid niet van de bijstandsgerechtigde gevergd kan worden, of een rechterlijke uitspraak over alimentatie ontbreekt, zal het college gebruik maken van zijn bevoegdheden zoals vastgelegd in artikel 62 en 62b van de WWB.
- bijstandsverlening, incl. bijzondere bijstand, o.g.v. de Wet werk en bijstand (WWB);
- bijstandsverlening o.g.v. het Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz);
- uitkering o.g.v. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);
- uitkering o.g.v. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
- inkomensvoorziening o.g.v. de Wet investeren in jongeren (WIJ);
- gemeentelijke tegemoetkoming o.g.v. de Wet kinderopvang (Wko);
- de eigen bijdrage en bestuurlijke boete o.g.v. de Wet inburgering (WI).
1. de onderhoudsplicht;
2. verhaal op nalatenschappen;
2. verhaal i.v.m. schenkingen.
- Hoofdregel is dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop.
- Altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat burgers (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over kwijtschelding, afkoop van schulden en de bepaling van de aflossingscapaciteit wordt dan ook getracht om een goede balans te vinden tussen de belangen van de gemeente als schuldeiser enerzijds en de belangen van de burger als debiteur anderzijds.
- Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit moeten beleidsmatig keuzes worden gemaakt. In de bepalingen inzake de zogenaamde kruimelbedragen laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de beleidsregels wordt in die zin ook telkens een kosten-baten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?
- Fraude mag niet lonen. Dat is het uitgangspunt. Ook hier moet echter de balans worden gezocht in relatie tot efficiency en effectiviteit en de belangen van de debiteur. In de beleidsregels moet dan ook terugkomen dat bijvoorbeeld ook in geval van fraudeschulden mogelijkheden bestaan voor kwijtschelding en afkoop van schuld. Wel moet dan telkens vanuit het benoemde principe dat fraude niet mag lonen, bewust voor gekozen worden om de criteria voor fraudeschulden te verzwaren ten opzichte van niet-fraude-schulden .
- de eigen bijdrage o.g.v. art. 23 WI;
- opgelegde boeten o.g.v. de artikelen 29 t/m 33 WI;
- IOAW en IOAZ: o.g.v. art. 25 IOAW-IOAZ moet de gemeente de uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend terugvorderen;
- Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen: o.g.v. art. 44 Bbz moet de gemeente een verstrekte geldlening of de uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend terugvorderen.
1. hetgeen teruggevorderd wordt;
2. de betalingsverplichting van de schuldenaar;
3. de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, evenals
4. de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.
1. de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken van de betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen en/of een verzoek in te dienen tot een betalingsregeling;
2. de aankondiging dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel en/of verzoek tot betalingsregeling, de gemeente gerechtigd is om zonder verdere vooraankondiging, de vordering ter executie over te dragen aan een derde (deurwaarder of incassobureau);
3. de vermelding dat executiekosten voor rekening van belanghebbende zijn.
1. de termijn van betaling zes weken is.
- artikel 58 WWB: ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden en art. 60 (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Bbz, of Wwik-uitkering)
- Bbz: maakt deel uit van de WWB);
- uitkering o.g.v. artikel 25 IOAW (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 20f (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Wwik, of WWB-uitkering);
- uitkering o.g.v. artikel 25 IOAZ (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 20f (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Wwik, of WWB-uitkering);
- uitkering o.g.v. artikel 54 WIJ (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 56 (=verrekeningsbevoegdheid met WWB, IOAW – IOAZ, Bbz of Wwik-uitkering)
- o.g.v. artikel 38 Wko zijn o.a. art. 58 en 60 WWB van toepassing.
- artikel 60 WWB (=terugvordering) en art. 61i (=verhaal);
- Bbz: maakt deel uit van de WWB;
- artikel 30 IOAW;
- artikel 30 IOAZ;
- artikel 56 WIJ;
- o.g.v. artikel 38 Wko is o.a. art. 60 WWB van toepassing;