Sla menu over en ga naar de inhoud

Gemeente Vlaardingen - Beleidsregels Terugvordering en verhaal ...

Ga naar de homepage van de gemeente Vlaardingen
-

Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009

Overheidsorganisatie: gemeente Vlaardingen
Officiële naam van de regeling: Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009
Citeertitel: Terugvordering en verhaal SZW 2009
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld):  
Besloten door: college van burgemeester en wethouders
Onderwerp: financiën en economie

Opmerking m.b.t. de regeling:

Deze regeling vervangt de Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Vlaardingen 2009 , met dien verstande dat voor geldschulden, die zijn vastgesteld voor 1 juli 2009, de Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Vlaardingen 2009 van toepassing blijven.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving):

  • N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftOntstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmakingKenmerk voorstel
17-12-2009nieuwe regeling27-10-2009
Gemeenteblad,
2009, 57. 16-12-2009.


VLD/2009/59607

Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009+
Naar boven
Aanhef. Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009
Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,
 
Gelet op hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet werk en bijstand, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet investeren in jongeren, de Wet kinderopvang en de Wet inburgering
 
BESLUIT:
vast te stellen de
 
Beleidsregels Terugvordering en verhaal SZW 2009
Naar boven
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Naar boven
Artikel 1. Begripsbepalingen

1. Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk en Bijstand, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet investeren in jongeren, de Wet kinderopvang, de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek.
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
- WWB: Wet Werk en Bijstand;
- WIJ: Wet investeren in jongeren;
- WI: Wet inburgering
- Wko: Wet kinderopvang;
- Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen;
- IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- BW: Burgerlijk Wetboek;
- Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
- Wet SUWI: Wetstructuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;
- Bestuursrechtelijke geldschuld: de verplichting tot betaling van een geldsom van de burger aan de gemeente waarop titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is,
die voortvloeit uit:

o een besluit tot terugvordering (incl. als geldlening verstrekte (bijzondere) bijstand) als bedoeld in paragraaf 6.4 van de WWB;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in hoofdstuk VI van het Bbz (zowel periodieke uitkering als bedrijfskrediet);
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in paragraaf 5 van de IOAW en IOAZ;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIJ;
o een besluit tot terugvordering als bedoeld in paragraaf 6 van de Wko.

- Schuldenaar: degene(n) aan wie een bestuursrechtelijke geldschuld is opgelegd.
- Regeling: onderhavige beleidsregels terugvordering en verhaal.

Naar boven
Artikel 2. Bevoegdheid tot vaststelling en oplegging van bestuursrechtelijke geldschulden
Daar waar bij of krachtens de Awb en bijzondere wetten sprake is van een gemeentelijk bevoegdheid om bestuursrechtelijke geldschulden vast te stellen en op te leggen, wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt.
Naar boven
Hoofdstuk II. Beleidsregels terugvordering
Naar boven
Afdeling 1. Terugvordering

Naar boven
Artikel 3. Toepassingsgebied beleidsregels terugvordering
Een verstrekking wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels.
Naar boven
Artikel 4. Terugvordering

1. Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid, om:
a. bijstand terug te vorderen als bedoeld in artikel 58 WWB;
b. uitkering terug te vorderen als bedoeld in artikel 25 IOAW;
c. uitkering terug te vorderen als bedoeld in artikel 25 IOAZ;
d. kosten van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening terug te vorderen als bedoeld in artikel 54 WIJ;
e. de tegemoetkoming terug te vorderen, als bedoeld in artikel 38 Wko.
2. Voor zover dit vereist is om tot terugvordering te kunnen overgaan, maakt het college tevens gebruik van de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een verstrekking als bedoeld in het eerste lid, te herzien of in te trekken.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van dringende redenen.Van dringende redenen om geheel of ten dele van het vaststellen van een bestuursrechtelijke geldschuld te kunnen afzien is slechts sprake als zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en de op te leggen geldschuld onaanvaardbare gevolgen heeft voor het fysieke–en/of geestelijke welzijn van de belanghebbende.

Naar boven
Artikel 5. Onverschuldigde betaling:
In afwijking van artikel 4, kan in geval van onverschuldigde betaling geheel of ten dele van terugvordering worden afgezien als:
a. de geldschuld buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan;
b. hem van het ontstaan van die geldschuld geen enkel verwijt kan worden gemaakt en
c. het aannemelijk is dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon weten dat hij ten onrechte een beroep op de wet/regeling deed.
 
Naar boven
Artikel 6. Brutering van de geldschuld o.g.v. de WWB of de WIJ

1. Indien de bestuursrechtelijke geldschuld betrekking heeft op ten onrechte of teveel verstrekte periodieke bijstand o.g.v. de WWB of inkomensvoorziening o.g.v. de WIJ die binnen het relevante fiscale jaar niet of niet geheel is/wordt afgelost, wordt deze of het restant daarvan vastgesteld op het aan de schuldenaar uitgekeerde bedrag verhoogd met de daarover afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke premie o.g.v. de Zorgverzekeringswet, voor zover die loonbelasting en premies niet verrekend zijn of konden worden met de Belastingdienst.
2. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien sprake is van een geldschuld die is ontstaan buiten toedoen van de schuldenaar en hem niet kan worden verweten dat hij de geldschuld niet al heeft voldaan:
a. in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, of
b. in het jaar van oplegging.

Naar boven
Artikel 7. Zesmaandenjurisprudentie
Het college ziet af van terugvordering als bedoeld in artikel 4, voor zover het betreft bijstand, een uitkering o,g,v, de IOAW en IOAZ, kosten van het werkleeraanbod, inkomensvoorziening of een tegemoetkoming o.g.v. de Wko, die is verstrekt vanaf zes maanden nadat het college relevante informatie heeft ontvangen van de belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout in de verstrekking, en de oorzaak daarvan niet is gelegen in schending van een inlichtingenverplichting door de schuldenaar.
Naar boven
Artikel 8. Terugvordering geringe geldschulden

1. Het college ziet af van terugvordering als bedoeld in artikel 4, indien de geldschuld lager is dan het bedrag, bedoeld in artikel 1 van de Regeling terugvordering geringe bedragen.
2. Het college ziet af van terugvordering als bedoeld in artikel 4, indien de geldschuld minimaal het grensbedrag bedraagt, genoemd in de Regeling terugvordering geringe bedragen, maar lager is dan € 150,-, tenzij de geldschuld verrekend kan worden met de bijstand, de uitkering, de inkomensvoorziening of de tegemoetkoming.

Naar boven
Artikel 9. Hoofdelijke aansprakelijkheid
1. Voor zover het een verstrekking betreft waarop de artikelen: 59 WWB, 55 WIJ, 26 IOAW – IOAZ, 38 Wko van toepassing is, wordt deze:
a. onverminderd de vorige artikelen, van alle gezinsleden teruggevorderd;
b. mede teruggevorderd van de gezinsleden met wiens middelen bij de financiële verstrekking rekening had moeten worden gehouden als de financiële verstrekking aan de gehuwden/leefeenheid had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende de inlichtingenverplichting, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
2. De onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de teruggevorderde verstrekking.
 
Naar boven
Artikel 10. Besluit tot terugvordering

1. Een besluit tot terugvordering vermeldt:
a. de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken van de
betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen en/of
een verzoek in te dienen tot een betalingsregeling;
b. de aankondiging dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel en/of verzoek tot betalingsregeling ingevolge sub a, de gemeente
gerechtigd is om zonder verdere vooraankondiging, de vordering ter executie over
te dragen aan een derde (deurwaarder of incassobureau);
c. de vermelding dat executiekosten zoals genoemd onder sub b, voor rekening van
belanghebbende zijn.
2. De termijn van betaling wordt in het besluit tot terugvordering gesteld op zes weken te
rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.

Naar boven
Afdeling 2. Kwijtschelding

Naar boven
Artikel 11. Kwijtschelding bij schuldenproblematiek
1. Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de bestuursrechtelijke geldschuld indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen en
c. de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2. Van kwijtschelding als bedoeld in lid 1 wordt afgezien indien:
a. de terugvordering van de bestuursrechtelijke geldschuld het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht of
b. de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken, behoudens voor zover de vordering niet op die zaken verhaald kan worden.
3. In afwijking van lid 2 sub a kan toch kwijtschelding worden verleend in geval van vorderingen voortgekomen uit schending inlichtingenplicht, wanneer, naast de voorwaarden genoemd in lid 1, minimaal de helft van de oorspronkelijke schuld is of wordt voldaan of belanghebbende minimaal gedurende 5 jaar voorafgaand aan het verzoek volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan.
4. Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de bestuursrechtelijke geldschuld
wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in lid 1 genoemde voorwaarden onder a, b en c;
b. de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
 
Naar boven
Artikel 12. Kwijtschelding anders dan bij schuldregeling
1. Op verzoek van de belanghebbende gaat het college over tot kwijtschelding van het restant van de vordering indien de belanghebbende:
a. voorafgaand aan het verzoek minimaal 36 maanden op de betreffende vordering heeft afgelost conform de aflossingsverplichting en
b. tenminste 75% van de vordering heeft betaald.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 gaat het college op het verzoek van belanghebbende tot kwijtschelding van het restant van de vordering, welke is ontstaan als gevolg van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, over indien de belanghebbende:
a. voorafgaand aan het verzoek minimaal 60 maanden op de betreffende vordering heeft afgelost conform de aflossingsverplichting en
b. tenminste 90 % van de vordering heeft betaald.
3. Het college besluit niet tot kwijtschelding indien belanghebbende in de periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer, verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht dan wel zijn aflossings-verplichtingen heeft voldaan.
4. Kwijtschelding van een vordering welke wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken is niet mogelijk behoudens voor zover de vordering niet op die zaken verhaald kan worden.
 
Naar boven
Artikel 13. Afkoop schuld
1. Op verzoek van de belanghebbende stemt het college in met het verzoek tot afkoop van het restant van de vordering indien de belanghebbende:
a. voorafgaand aan het verzoek minimaal 36 maanden op de betreffende vordering heeft
afgelost conform de aflossingsverplichting en
b. een bedrag in één keer aflost waardoor de belanghebbende, samen met de al gedane
betalingen, 75% van de vordering heeft betaald.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 gaat het college op het verzoek van belanghebbende tot afkoop van het restant van de vordering, welke is ontstaan als gevolg van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, over indien de belanghebbende:
a. voorafgaand aan het verzoek minimaal 60 maanden op de betreffende vordering heeft
afgelost conform de aflossingsverplichting en
b. een bedrag in één keer aflost waardoor de belanghebbende, samen met de reeds
gedane betalingen, 90% van de vordering heeft betaald.
3. Het college stemt niet in met afkoop indien belanghebbende in de periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot afkoop, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer
verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan dan wel zijn
aflossingsverplichtingen.
4. Afkoop van een vordering die gebaseerd is op een terugvorderingsbesluit ingevolge artikel 58 lid 1 sub f onder 1 en 2 WWB dan wel artikel 54, eerste lid onderdeel c en d WIJ, is niet mogelijk.
5. Afkoop van een vordering welke wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken is niet mogelijk behoudens voor zover de vordering niet op die zaken verhaald kan worden.
 
Naar boven
Afdeling 3. Betaling en invordering van bestuursrechtelijke geldschuld

Naar boven
Artikel 14. Betaling

1. De betaling door de schuldenaar geschiedt door bijschrijving op de daartoe door het college bestemde bankrekening.
2. In afwijking van het eerste lid, kunnen geldschulden ook aan de kas van de gemeente worden voldaan, indien girale betaling naar het oordeel van het college bezwaarlijk is.
3. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van de gemeente wordt gecrediteerd.
4. Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling.
5. Bij betaling aan de kas ontvangt de schuldenaar een kwitantie.

Naar boven
Artikel 15. Afboeking van de betaling

Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:

1. betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler;
2. betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven ( de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande vorderingen, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken.
3. de betaling strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens tot vermindering van de verschenen rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de eventuele lopende rente.

Naar boven
Artikel 16. Gebruik maken van verrekening en preferentie

1. Daar waar de gemeente bij de invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld de bevoegdheid heeft om gebruik te maken van het recht tot verrekening of zich bij de invordering kan beroepen op preferentie, zal van dat recht gebruik gemaakt worden om de gehele geldschuld, inclusief eventuele wettelijke rente en invorderingskosten, zo spoedig mogelijk ingevorderd te krijgen.
2. Het onder 1 vermelde, laat onverlet dat de gemeente kan besluiten om medewerking te verlenen aan schuldhulpverlening.

Naar boven
Artikel 17. Gebruik maken van mogelijkheid tot conservatoir en executoriaal beslag

1. De gemeente maakt gebruik van het middel van conservatoir -en executoriaal beslag daar waar dat bijdraagt aan de (snelle) invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld.
2. Bij de keuze om het instrument: beslag toe te passen wordt wel een kosten-batenafweging gemaakt. Indien beslag op vereenvoudigde wijze kan plaatsvinden, wordt daar de voorkeur aan gegeven.
3. Ingeval van een voornemen om beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de schuldenaar moet aannemelijk zijn dat het voor beslag vatbare deel hoger is dan € 2500,--.

Naar boven
Artikel 18. Betalingsvoorstel en uitstel van betaling
1. Na ontvangst van een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 10 kan op verzoek van belanghebbende een betalingsregeling worden getroffen en uitstel van betaling, als bedoeld in artikel 4:94 Awb worden verleend.
2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Het besluit vermeldt in ieder geval:
a. de maandelijkse aflossingverplichting;
b. de datum van ingang van de aflossingsverplichting;
c. de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd waaronder tevens begrepen: de aankondiging dat eventuele executiekosten vanwege inschakeling derden voor rekening van belanghebbende zijn.
3. In het verlengde van lid 2 sub c, zal aan belanghebbende in het besluit tevens worden medegedeeld dat, bij gebreke van tijdige betaling, de vordering in zijn geheel, zonder verdere vooraankondiging, ineens opeisbaar wordt en dat het college in dat geval niet langer gehouden is aan de vastgestelde aflossingsverplichting ingevolge lid 2 sub a.
4. Aan het uitstel van betaling kunnen in ieder geval de volgende verplichtingen worden verbonden:
a. de verplichting om de ontvangst van inkomsten of vermogen onverwijld te melden;
b. de verplichting om een wijziging van leef- of woonsituatie te melden;
c. de verplichting om bepaalde vermogensbestanddelen te gelde te maken;
5. Een ingediende aanvraag om voor een schuldregeling in aanmerking te komen, vormt voor het college (nog) geen reden om de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke geldschuld op te schorten of uitstel van terugbetaling van de opgelegde geldschuld te verlenen.
Naar boven
Artikel 19. Aflossingsverplichting

1. Indien belanghebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingsverplichting 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand exclusief vakantietoeslag.
2. Indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, bedraagt de aflossingsverplichting 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag. De vakantietoeslag dient belanghebbende ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college geïnd op het moment dat het feitelijk beschikbaar komt voor belanghebbende.
3. De aflossingsverplichting voor belanghebbenden met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt:
a. Indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht: 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag vermeerderd met 60% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Het vakantiegeld dient belanghebbende maandelijks ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college maandelijks geïnd.
b. In de overige omstandigheden: 7,5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Het vakantiegeld dient belanghebbende maandelijks ter aflossing aan het college te betalen c.q. wordt door het college maandelijks geïnd.
4. Een belanghebbende die een WWB-, WIJ- of IOAW-, of IOAZ-uitkering heeft ontvangen wordt, wat betreft de hoogte van de vast te stellen aflossingsverplichting, gedurende een periode van 18 maanden na beëindiging van de uitkering gelijkgesteld met een WWB-, WIJ-, IOAW- of IOAZ-uitkeringsgerechtigde indien de hoogte van het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm.
5. In geval van beslaglegging door een derde (andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op 10% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief vakantiegeld plus 100% van het meerdere, zijnde de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d Rv.
6. Wanneer belanghebbende de informatieplicht (m.b.t. de informatie die nodig is om de aflossingsverplichting vast te stellen) niet nakomt, bedraagt de aflossingsverplichting 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.

Naar boven
Artikel 20. Afbetaling in 36 maanden

1. Een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende kan achterwege blijven indien belanghebbende:
a. een betalingsvoorstel heeft gedaan aan het college op basis waarvan de vordering zal zijn voldaan binnen een periode van 36 maanden te rekenen vanaf het moment van ingang van de aflossingsverplichting en
b. het aflossingsbedrag per maand minimaal gelijk is aan 7,5 % van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld.
2. Het college kan het verzoek van belanghebbende ingevolge lid 1 afwijzen indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht dan wel indien belanghebbende in de periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan.

Naar boven
Artikel 21. Aflossingscapaciteit en vermogen
Het verzoek van belanghebbende tot een betalingsregeling of betalingsvoorstel kan door het college worden afgewezen indien belanghebbende beschikt over vermogen.
Naar boven
Artikel 22. Tussentijdse wijziging van aflossingsverplichting door het college

1. Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens ingevolge artikel 16 indien een draagkrachtonderzoek daartoe aanleiding geeft.
2. Het college stelt nadere regels over de periode en de frequentie waarbinnen het draagkrachtonderzoek wordt gedaan.

Naar boven
Artikel 23. Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door belanghebbende

1. Belanghebbende kan een verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting.
2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
3. Het besluit wordt genomen met inachtneming van de regels zoals neergelegd in artikel 14, 15 en 16 van deze regeling.

Naar boven
Artikel 24. Betalingsherinnering, aanmaning, verrekening, beslag en rente bij niet tijdige betaling

1. Belanghebbende ontvangt een betalingsherinnering indien de belanghebbende niet tot betaling van de vordering overgaat of niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde of overeengekomen aflossingsverplichting niet meer nakomt. Indien betaling wederom uitblijft ontvangt belanghebbende een aanmaning, als bedoeld in artikel 4:112 Awb.
2. De termijn van betaling wordt in de betalingsherinneringen en de aanmaning gesteld op 10 dagen te rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.
3. Indien belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke regeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het invorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:
ab verrekening met de periodiek verleende bijstand ingevolge de WWB, WIJ, Wko, IOAW of IOAZ op grond van artikel 4:93 Awb, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid,
b. een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv,
c. een executoriaal of conservatoir beslag op roerende of onroerende goederen, overeenkomstig het Tweede boek Rv.
4. Indien een belanghebbende binnen een periode van een jaar na eerder te zijn aangemaand en voldaan te hebben aan zijn aflossingsverplichting, wederom nalatig blijft met de (tijdige) nakoming van zijn aflossingsverplichting, dan is het college bevoegd, zonder nadere schriftelijke aanmaning, om terstond gebruik te maken van zijn bevoegdheden zoals beschreven in het derde lid van dit artikel.
5. Indien het college de vordering ter executie overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, dan worden de door de derde gemaakte kosten volledig doorberekend aan belanghebbende.
6. Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente.

Naar boven
Artikel 25. Dwangbevel

1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het uitvaardigen en ten uitvoer leggen van een dwangbevel, indien dit op grond van bijzondere wetgeving is toegestaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten de schuldenaar te dagvaarden voor de civiele rechter ten einde de geldschuld vast te doen stellen, indien het vermoeden bestaat dat de schuldenaar inkomsten of vermogensbestanddelen buiten Nederland heeft.
3. De verschillende betalingsverplichtingen o.g.v. verschillende vorderingen worden zoveel mogelijk gelijktijdig in één dwangbevel opgenomen, conform art. 4:119 Awb.

Naar boven
Artikel 26. Afzien van (verdere) invordering

1. Onverminderd artikel 8, is het college bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 én het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht en € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.

Naar boven
Artikel 27. In rekening brengen van rente – en aanmaningskosten:

1. Van de bevoegdheid om aanmaningskosten, conform artikel 4:113 Awb in rekening te brengen wordt geen gebruik gemaakt.
2. indien periodieke bijstand als lening is verstrekt onder verband van krediethypotheek, wordt te rekenen vanaf de beëindigingdatum van de periodieke bijstand gedurende 10 jaar geen rente berekend. Na afloop van die termijn wordt de wettelijke rente in rekening gebracht.

Naar boven
Artikel 28. Vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling door de gemeente

1. Indien de gemeente een bestuursrechtelijke geldschuld verschuldigd is aan de burger en de gemeente in verzuim is vanwege het niet binnen de voorgeschreven termijn betalen van die geldschuld, wordt ambtshalve overgegaan tot toekenning van de verschuldigde wettelijke rente.
2. Een ambtshalve beslissing zoals bedoeld onder lid 1 wordt bij beschikking aan de burger medegedeeld tenzij de rentevergoeding een direct gevolg is van de uitvoering van een gerechtelijk vonnis.

Naar boven
Hoofdstuk III. Beleidsregels verhaal WWB en WIJ

Naar boven
Artikel 29. Verhaalsbevoegdheid

1. Het college maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 56, 61 en 62 WWB of artikel 57 WIJ, tenzij in deze regeling anders is bepaald.
2. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde beleidsregels tevens van toepassing op verhaal ingevolge artikel 57 WIJ.

Naar boven
Artikel 30. Afzien van verhaal

1. Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar.
2. Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

Naar boven
Artikel 31. Beoordeling van mate van onderhoudsplicht
Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. 
Naar boven
Artikel 32. Verhalen van rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud
Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 BW die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, word en de kosten van bijstand dan wel de kosten van het werkleeraanbod of inkomensvoorziening, verhaald in overeenstemming met deze uitspraak. Het besluit tot verhaal wordt in dat geval bij brief medegedeeld aan degene op wie wordt verhaald, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van de brief te voldoen. Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert de gemeente het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt, in door middel van het uitvaardigen van een dwangbevel, conform artikel 62b, vierde lid WWB en artikel 57 WIJ. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tenuitvoergelegd. 
Naar boven
Artikel 33. Wijziging door rechter vastgesteld bedrag levensonderhoud
Indien sprake is van gewijzigde omstandigheden kan de gemeente verzoeken het door de rechter vastgestelde bedrag voor de verhaalsbijdrage te wijzigen. De gemeente verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 BW vast te stellen, indien de rechter:  
a. deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de artikelen 157 en 401 van dat boek;  
b. geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.
Naar boven
Artikel 34. Inhoud van het verhaalsbesluit
Een besluit tot verhaal, anders dan op grond van artikel 62b WWB, wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht medegedeeld.  Het besluit vermeldt het bedrag of de bedragen waarvan, evenals de termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd.  Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of een der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
Naar boven
Artikel 35. Ingangsdatum en betaling verhaalsbijdrage

1. De verhaalsbijdrage ingevolge artikel artikel 62 WWB wordt opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving.
2. De termijn van betaling wordt in het verhaalsbesluit gesteld op zes weken te rekenen vanaf het moment van verzending van het besluit.

Naar boven
Artikel 36. Verhaal in rechte
Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte. 
Naar boven
Artikel 37. Verrekening en beslaglegging

1. Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van het college vastgestelde bijdrage te voldoen, dan wordt die uitspraak ingevolge artikel 62i WWB ten uitvoer gelegd door middel van verrekening als bedoeld in artikel 60 derde lid WWB, dan wel executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 Rv. Daarbij maakt het college gebruik van de aan de verhaalsvordering bevestigde preferentie.
2. Ten aanzien van de invordering van verhaalsbijdragen, is afdeling 2 van Hoofdstuk II van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 24 tot en met 28.

Naar boven
Artikel 38. (her-) onderzoek naar draagkracht

1. Eén keer per 36 maanden verricht het college onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vastgesteld.
2. Er wordt niet overgegaan tot een nieuw verhaalsbesluit ingevolge artikel 62 WWB indien:
a. uit het draagkrachtonderzoek blijkt dat de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 50,00 per maand of
b. het woonadres en de gezinssamenstelling van de belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek gelijk zijn gebleven en het gezinsinkomen van belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek met minder dan 15 % bruto is gestegen.

Naar boven
Artikel 39. Verhaal en schuldsanering

1. In afwijking van beleidsregel 19 kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voorzover het betreft verschuldigde verhaalsbijdragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en;
c. de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in lid 1 onder b tot stand is gekomen.
3. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in lid 1 genoemde voorwaarden onder a, b en c;
b. de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of;
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Naar boven
Artikel 40. Afzien van (verdere) invordering

1. Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 én het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot € 5.000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.

Naar boven
Artikel 41. Verplichting van de bijstandsgerechtigde

1. Het college kan ingevolge artikel 55 WWB of artikel 57 WIJ de verplichting aan de bijstandsgerechtigde opleggen dat hij of zij de benodigde stappen onderneemt om de onderhoudsbijdrage conform de rechterlijke uitspraak met betrekking tot de alimentatie, van de onderhoudsplichtige af te dwingen, zo nodig door inschakeling van derden, zoals het LBIO of deurwaarder.
2. Indien incasso volgens lid 1 niet tot resultaat leidt of indien in bijzondere gevallen dit in redelijkheid niet van de bijstandsgerechtigde gevergd kan worden, of een rechterlijke uitspraak over alimentatie ontbreekt, zal het college gebruik maken van zijn bevoegdheden zoals vastgelegd in artikel 62 en 62b van de WWB.

Naar boven
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen regeling

Naar boven
Artikel 42. Nadere invulling van beleid
Het college kan deze beleidsregels nader uitwerken in een beleidsnotitie en/of het Vlaardings handboek.
Naar boven
Artikel 43. Intrekking oude regeling
De Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Vlaardingen 2009 worden ingetrokken, met dien verstande dat voor geldschulden, die zijn vastgesteld voor 1 juli 2009, de Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Vlaardingen 2009 van toepassing blijven.
Naar boven
Artikel 44. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van .
Naar boven
Artikel 45. citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Terugvordering en verhaal SZW 2009.
Naar boven
Ondertekening.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Vlaardingen.
 
 
 
de secretaris,                                                   de burgemeester,
 
 
 
 
 
ir. C. Kruyt                                                          mr.T.P.J. Bruinsma
 
Naar boven
Toelichting.

Naar boven
Toelichting tussenkop. Algemene toelichting
Algemeen
Met de inwerkingtreding van de 4e tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb), is er in de Awb
(=hoofdstuk 4, titel 4.4) een algemene regeling opgenomen met betrekking tot bestuursrechtelijke geldschulden.
De regeling is niet alleen van toepassing op vorderingen die de overheid op de burger heeft, maar geldt ook voor vorderingen van de burger op de overheid.
In titel 4.4 van de Awb staan bepalingen over:
- de vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling;
- verzuim om te betalen en wettelijke rente;
- verjaring van vorderingen en
- aanmaning en invordering bij dwangbevel.
 
Tegelijk met de inwerkingtreding van de 4e tranche Awb zijn ook een groot aantal bijzondere wetten gewijzigd en zijn de daarin opgenomen bepalingen over geldschulden of vervallen of aangepast aan de Awb. De inwerkingtreding van titel 4.4 Awb is voor de gemeente aanleiding geweest om de beleidsregels Terugvordering en verhaal gemeente Vlaardingen 2009 in te trekken en nieuwe beleidsregels te ontwikkelen die van toepassing is op alle producten van de afdeling
Sociale Zaken en Werk.
 
Terugvordering
Deze beleidsregels bevat bepalingen op het gebied van terugvordering voor de navolgende (wetgevings-)producten:

- bijstandsverlening, incl. bijzondere bijstand, o.g.v. de Wet werk en bijstand (WWB);

- bijstandsverlening o.g.v. het Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz);

- uitkering o.g.v. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

- uitkering o.g.v. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

- inkomensvoorziening o.g.v. de Wet investeren in jongeren (WIJ);

- gemeentelijke tegemoetkoming o.g.v. de Wet kinderopvang (Wko);

- de eigen bijdrage en bestuurlijke boete o.g.v. de Wet inburgering (WI).

 
Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte verleende bijstand of ten onrechte uitgekeerde geldbedragen in het kader van de hierboven genoemde wetten.
De bijstand wordt teruggevorderd van degene aan wie de geldbedragen zijn uitbetaald.
 
Verhaal
Bij verhaal van bijstand gaat het om het terugkrijgen van de kosten van bijstand in het kader van de WWB of de inkomensvoorziening in het kader van de Wij van een andere persoon dan de uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld in verband met:

1. de onderhoudsplicht;

2. verhaal op nalatenschappen;

2. verhaal i.v.m. schenkingen.

 
In de artikelen 58 tot en met 62 WWB heeft de wetgever de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand en het verhalen van bijstand bij derden geregeld. Artikel 57 WIJ regelt dit voor de WIJ. De verhaalswetgeving van de WWB is volgens dit artikel overeenkomstig van toepassing voor de WIJ.
 
Vanaf de inwerkingtreding van de WWB is terugvordering en verhaal geen verplichting meer voor het college maar een bevoegdheid. Hieruit volgt dat het college de beleidsruimte heeft om zelf eigen afwegingen te maken over de wijze waarop zij hieraan invulling wil geven. Het gaat dan niet alleen om het terugvorderen en verhalen op zichzelf maar ook om de wijze waarop het college haar beleidsruimte invult met betrekking tot de invordering van vorderingen uit hoofde van terugvorderings- en verhaalsbesluiten alsook de wijze waarop zij vorm wil geven aan kwijtschelding.
Door vaststelling van deze beleidsregels beoogt het college enerzijds een meer slagvaardiger en doelgerichter uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, anderzijds om aan de klant rechtszekerheid te bieden voor wat betreft de wijze waarop het college aan de gegeven beleidsruimte invulling geeft.
 
Bij de opmaak van de beleidsregels zijn nadrukkelijk de volgende uitgangspunten in ogenschouw
genomen:

- Hoofdregel is dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop.

- Altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat burgers (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over kwijtschelding, afkoop van schulden en de bepaling van de aflossingscapaciteit wordt dan ook getracht om een goede balans te vinden tussen de belangen van de gemeente als schuldeiser enerzijds en de belangen van de burger als debiteur anderzijds.

Iets abstracter beredeneerd: de gemeente dient een maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit die invalshoek is het van belang om oog te hebben voor de persoonlijke situatie van de debiteur. Feitelijk gaat het dan om ook om armoedebeleid.

- Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit moeten beleidsmatig keuzes worden gemaakt. In de bepalingen inzake de zogenaamde kruimelbedragen laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de beleidsregels wordt in die zin ook telkens een kosten-baten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?

- Fraude mag niet lonen. Dat is het uitgangspunt. Ook hier moet echter de balans worden gezocht in relatie tot efficiency en effectiviteit en de belangen van de debiteur. In de beleidsregels moet dan ook terugkomen dat bijvoorbeeld ook in geval van fraudeschulden mogelijkheden bestaan voor kwijtschelding en afkoop van schuld. Wel moet dan telkens vanuit het benoemde principe dat fraude niet mag lonen, bewust voor gekozen worden om de criteria voor fraudeschulden te verzwaren ten opzichte van niet-fraude-schulden .

Naar boven
Toelichting tussenkop. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 – begripsbepalingen
Als het gaat om verhaal en terugvordering, is er een duidelijke samenhang met de Algemene wet bestuursrecht. Maar ook met het civiele recht bestaat een duidelijke samenhang.
Het verhaalsrecht is feitelijk een direct afgeleide van het personen- en familierecht (BW boek 1)
waardoor begrippen zoals gehanteerd in het familierecht ook gebruikelijk zijn in de verhaalspraktijk. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de invordering van vorderingen: begrippen als “executiekosten”, “verzuim” en “minnelijk” zijn afkomstig uit het privaatrecht en hebben in de bijstandspraktijk dezelfde betekenis.
 
Het begrip ‘bestuursrechtelijke geldschuld’ is omschreven onder verwijzing naar titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een bestuursrechtelijke geldschuld ontstaat pas nadat er een onderliggend (terugvorderings) besluit is genomen. Uit dat besluit vloeit de geldschuld voort. Pas nadat er vervolgens een betalings- of invorderingsbesluit is genomen, ontstaat de verplichting om te betalen.
 
Artikel 2 – bevoegdheid tot oplegging van bestuursrechterlijke geldschulden
In dit artikel is als algemene regel vastgelegd, dat als de gemeente over de bevoegdheid beschikt om een bestuursrechtelijke geldschuld vast te stellen, op te leggen en in te vorderen, daarvan gebruik gemaakt wordt. Het vaststellen, opleggenen de incasso van bestuursrechtelijke geldschulden kan een verplichting of een bevoegdheid van de gemeente zijn.
 
Verplicht voor:
Bij terugvordering van een bestuursrechtelijke geldschuld o.g.v. de hierna genoemde wetten/regelingen is geen sprake van een discretionaire bevoegdheid van de gemeente maar van een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid de gemeente gehouden is om tot terugvordering over te gaan:
Wet inburgering kent een 2-tal soorten bestuursrechtelijke geldschulden op de burger t.w.

- de eigen bijdrage o.g.v. art. 23 WI;

- opgelegde boeten o.g.v. de artikelen 29 t/m 33 WI;

- IOAW en IOAZ: o.g.v. art. 25 IOAW-IOAZ moet de gemeente de uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend terugvorderen;

- Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen: o.g.v. art. 44 Bbz moet de gemeente een verstrekte geldlening of de uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend terugvorderen.

 
Gemeentelijke bevoegdheid:
In de WWB (incl. bijzondere bijstand) en de WIJ, kent de betreffende wet aan de gemeente de bevoegdheid toe om wel of niet tot terugvordering van wat teveel of ten onrechte of als geldlening is verstrekt, dan wel tot het opleggen van een onderhoudsbijdrage, over te gaan.
Voor al deze regelingen/producten geldt dat de betreffende burger een beroep heeft gedaan op financiële ondersteuning van de overheid die bij nader inzien geheel of gedeeltelijk onterecht is gebleken of die in leningsvorm is verstrekt.
 
Vanwege het feit dat bij een bestuursrechtelijke geldschuld o.g.v. de:
- Wet werk en bijstand (=verhaal o.g.v. paragraaf 6.5);
- Wet inburgering, betreft alleen het onderdeel bestuurlijke boete, de gemeente niet beschikt over een bij wet toegekende bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel (=executoriale titel tot beslag), dient de gemeente extra activiteiten te ontplooien om tot (dwang)incasso te komen als het niet mogelijk blijkt om via een zogenoemde minnelijke regeling de geldschuld te innen.
 
Artikel 3 – toepassingsgebied beleidsregels terugvordering
Met nadruk wordt hier gesproken van ‘verstrekking’, om daarmee aan te geven dat deze beleidsregels van toepassing zijn op het terugvorderen van verstrekkingen die op grond van nader te noemen regelingen zijn gedaan en ten aanzien waarvan het college over de bevoegdheid tot terugvordering beschikt.
 
Artikel 4 – terugvordering
Dit artikel benoemt de verstrekkingen die teruggevorderd kunnen worden, dus niet de verstrekkingen die verplicht teruggevorderd moeten worden. In de genoemde artikelen wordt beschreven op welke gronden tot terugvordering kan worden overgegaan. Conform de algemene regel, zoals beschreven in artikel 2, worden de genoemde verstrekkingen in beginsel teruggevorderd als er teveel of ten onrechte is verstrekt. Op dat uitgangspunt bestaan echter uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld uit het vierde lid blijkt. Daar waar terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de belanghebbende, wordt daarvan afgezien. Het is denkbaar dat die gevolgen gelegen kunnen zijn in de persoonlijke of gezinssituatie.
 
Alvorens tot terugvordering kan worden overgegaan, dient onder omstandigheden het recht op de verstrekking herzien of ingetrokken te worden. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij schending van de inlichtingenplicht. Waar dat een voorwaarde is om tot terugvordering te kunnen besluiten, wordt hier de regel vastgelegd dat ook van de bevoegdheid tot herziening of intrekking gebruik wordt gemaakt.
 
Ook de IOAW en IOAZ zijn genoemd. Op dit moment is het nog verplicht om uitkeringen die ten onrechte zijn verstrekt op grond van die regelingen terug te vorderen, na inwerkingtreding van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (TK 31927) wordt die verplichting omgezet in een bevoegdheid. Vanuit de stellige verwachting dat dit per 1 januari 2010 plaatsvindt zijn vooruitlopend daarop, de IOAW en IOAZ op deze plaats thans reeds genoemd.
 
Artikel 5 – onverschuldigde betaling
Een tweede uitzondering op het uitgangspunt dat terugvordering plaatsvindt, is onverschuldigde betaling, die niet door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan. Hiervan kan sprake zijn als de geldschuld is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. In dat geval moet wel aannemelijk zijn dat de belanghebbende redelijkerwijs niet kon weten dat hij ten onrechte een beroep op de regeling deed.
 
Artikel 6 – brutering van de vordering
Bijstand wordt netto uitgekeerd. De gemeente draagt evenwel net als een werkgever hierover loonbelasting, premies volksverzekering en de inkomensafhankelijke bijdrage af aan de belastingdienst en het UWV. De gemeente betaalt dus in feite een bruto uitkering. Bij terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand kan het college daarom de bijstand bruto terugvorderen van de belanghebbende. Dit volgt uit artikel 58 lid 4 WWB. De hoogte van het terugvorderingsbedrag wordt berekend aan de hand van hetgeen in totaal aan loonbelasting en premies aan de belastingdienst en het UWV is afgedragen. Terugvordering van over de bijstand afgedragen belasting en premies blijft achterwege, voor zover deze belasting en premies door de gemeente verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het UWV. De mogelijkheid daarvoor doet zich voor bij verrekening binnen het kalenderjaar.
 
Het tweede lid verwoordt de jurisprudentie die is ontwikkeld rondom terugvordering van bijstand en waarvan aangenomen mag worden dat deze ook betrekking heeft op de WIJ, nu die regeling evenals bijstand netto wordt verstrekt en na afloop van het kalenderjaar moet worden gebruteerd. Voorwaarde om af te zien van brutering is dat de belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de vordering en hem ook niet verweten kan worden dat hij niet binnen het kalenderjaar heeft voldaan. Voor jurisprudentie, zie bijv. CRvB 28 november 2006, 05/2497 NABW.
 
Artikel 7 – zesmaandenjurisprudentie
Een volgende correctie op het uitgangspunt dat teveel of ten onrechte verstrekte uitkeringen teruggevorderd kunnen worden vormt de zgn. zesmaandenjurisprudentie. Essentie daarvan is dat als de belanghebbende een voor de uitkering wezenlijk gegeven heeft gemeld, en de gemeente dit niet tijdig verwerkt heeft, de bevoegdheid tot terugvordering komt te vervallen na zes maanden te rekenen vanaf het signaal van belanghebbende. De bestuursrechter stelt dat de gemeente na ontvangst van een signaal zes maanden de tijd heeft om dat signaal te verwerken en de uitkering aan te passen. Laat ze dat na, dan vervalt het recht tot terugvordering ten aanzien van de uitkering die vanaf die zesmaandentermijn is verstrekt (bijv. CRvB 24 april 2007, 06/2157 WWB).
 
Artikel 8 – terugvordering geringe schulden
Vanuit doelmatigheidsperspectief is het niet aantrekkelijk bij zeer geringe geldschulden tot terugvordering over te gaan. Om dat te voorkomen is ten aanzien van de terugvordering in het eerste lid bepaald, dat als de geldschuld lager is dan het grensbedrag dat in de Regeling terugvordering geringe bedragen is genoemd (d.d. 1 september 2009: € 113,-) van terugvordering wordt afgezien. Er wordt wel een melding in het dossier vastgelegd, maar verder geen actie ondernomen. Voor de IOAW en IOAZ geldt dat de genoemde Regeling op dit moment nog vereist dat éénmaal de schuldenaar wordt verzocht de geldschuld te voldoen, na inwerkingtreding van de Wet Bundeling van uitkeringen  inkomensvoorziening aan gemeenten (TK 31927), wordt terugvordering voor de IOAW en IOAZ een bevoegdheid. Zodra dat het geval is, geldt het beleid genoemd in artikel 8 dus ook voor die uitkeringen.  Dit staat overigens los van de mogelijkheid van invordering af te zien onder de voorwaarden van artikel 26.
 
In het tweede lid is bepaald dat als verrekening kan plaatsvinden, wel tot terugvordering wordt overgegaan, als het om geldschulden gaat, die iets groter zijn, maar waarvoor invordering nog steeds als ondoelmatig wordt aangemerkt. Het daarvoor geldende grensbedrag wordt gesteld op € 150.
 
Artikel 9 – hoofdelijke aansprakelijkheid
In een aantal wetten t.w.: de WWB (art. 59), WIJ (art. 55), IOAW – IOAZ (art. 26) en de Wko
(art. 38), is de bevoegdheid neergelegd om bij terugvordering van teveel ontvangen gelden ook de gezinsleden 'aan te spreken'. Enerzijds kan dat gelden indien de teveel verstrekte gelden in ieder geval aan het gezin zijn verstrekt. Anderzijds is in de WWB, WIJ, IOAW – IOAZ en Wko bepaald dat indien gelden die als gezinsverstrekking aan gehuwden (of daaraan gelijkgestelden) hadden moeten worden verstrekt maar wat achterwege is gebleven omdat de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, ook kan worden teruggevorderd van degene met wiens middelen als gevolg van de schending van inlichtingenplicht geen rekening is gehouden.
 
Concreet betekent dit, dat indien de financiële verstrekking als alleenstaande of alleenstaande ouder is verstrekt, terwijl later blijkt dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, die financiële verstrekking eveneens teruggevorderd kan worden van de 'verzwegen' partner.
De gemeente maakt gebruik van deze bevoegdheid mits bij de constatering achteraf, dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, duidelijk is dat de ontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner heeft verzwegen en de verzwegen partner van de financiële verstrekking op de hoogte was.
Alle gezinsleden waar in bovengenoemde situaties de bestuursrechtelijke geldschuld aan wordt opgelegd, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele geldschuld. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag bij elk gezinslid kan worden ingevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (de volledige) geldschuld terug te betalen, kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen.
 
Artikel 10 – inhoud besluit tot terugvordering
Een besluit tot terugvordering vermeldt welke kosten van bijstand, uitkering, inkomensvoorziening of tegemoetkoming teruggevorderd worden. In de terugvorderingsbeschikking wordt tevens aangegeven wat er ingevorderd wordt. Het terugvorderingsbesluit bevat, mede gelet op artikel 4:86 Awb:

1. hetgeen teruggevorderd wordt;

2. de betalingsverplichting van de schuldenaar;

3. de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, evenals

4. de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.

 
Ter verdere precisiering, dient als gevolg van lid 1 van beleidsregel 10 tevens in de beschikking te worden vermeld:

1. de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken van de betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen en/of een verzoek in te dienen tot een betalingsregeling;

2. de aankondiging dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel en/of verzoek tot betalingsregeling, de gemeente gerechtigd is om zonder verdere vooraankondiging, de vordering ter executie over te dragen aan een derde (deurwaarder of incassobureau);

3. de vermelding dat executiekosten voor rekening van belanghebbende zijn.

 
Ingevolge lid 2 van de beleidsregel dient tot slot in de beschikking te worden vermeld dat:
 

1. de termijn van betaling zes weken is.

 
Artikel 11 –kwijtschelding bij schuldenproblematiek
Wanneer een vordering van de bestuurlijke geldschuld door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.
 
In lid 3 van de beleidsregel wordt gesteld dat ook (gedeeltelijke) kwijtschelding van een fraudeschuld mogelijk moet kunnen zijn indien belanghebbende minimaal de helft van de schuld voldoet of heeft voldaan of minimaal een periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding correct aan zijn afbetalingsverplichting heeft voldaan.
Hoewel het principe heeft te gelden dat fraude niet lonend mag zijn, moet het mogelijk kunnen zijn dat mensen die kennelijk in dusdanig financiële moeilijkheden zitten dat schuldsanering c.q. bemiddeling aan de orde is, ondanks hun frauduleus gedrag, in aanmerking komen voor kwijtschelding.
 
Artikel 12 – kwijtschelding anders dan bij schuldregeling
Waar artikel 11 heeft te gelden indien sprake is van een schuldregeling, althans een aanzet daartoe, heeft het bepaalde in dit artikel in overige gevallen te gelden. Ingevolge artikel 8 kan iedere debiteur voor kwijtschelding van de restant-vordering in aanmerking komen indien men voorafgaand aan het verzoek gedurende minimaal 36 of 60 maanden volledig aan de afbetalingsverplichting heeft voldaan en minstens 75% dan wel 90% van de vordering heeft betaald.
Ook ingevolge dit artikel is het dus mogelijk gemaakt dat fraudeschulden voor kwijtschelding in aanmerking kunnen komen, zij het onder de verzwaarde criteria van 60 maanden afbetaling en
90% aflossing.
 
Ingevolge lid 3 is daarnaast nog een extra verzwaring ingebouwd, zowel geldend voor de vorderingen die onder lid 1 als onder lid 2 vallen: degene die een beroep doet op kwijtschelding mag in de 5 jaren voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding niet herhaaldelijk zijn inlichtingenplicht hebben geschonden alsook dient hij gedurende 5 jaren aan al zijn aflossingsverplichtingen te hebben voldaan. Ingevolge lid 3 zou het verzoek tot kwijtschelding dus afgewezen kunnen worden omdat de debiteur weliswaar op de huidige vordering correct en tijdig gedurende 36 maanden heeft betaald, maar niet op een andere vordering waarop hij voordien diende af te lossen.
Middels lid 4 van deze beleidsregel wordt voorkomen dat belanghebbende voor kwijtschelding in aanmerking zou kunnen komen indien het gaat om een terugvorderingsschuld ingevolge artikel 58 lid 1 sub f onder 1 en 2 WWB (achteraf verkregen middelen of een achteraf verkregen vergoeding voor kosten, waarvoor met het oog op die bestemming bijstand is verleend) en artikel 54, eerste lid, onderdeel c WIJ.
 
Artikel 13 – afkoop schuld
Indien mensen middels betaling van een (rest-) bedrag ineens, naast de overig gestelde criteria, feitelijk tot een betaling van 75% dan wel 90% komen, is afkoop tegen finale kwijting mogelijk en ontstaat feitelijk dezelfde situatie als in geval van kwijtschelding ingevolge artikel 8, namelijk het niet meer te behoeven betalen van 25% dan wel 10% van de restantvordering.
 
Artikel 14 – betaling
Artikel 4:89 Awb geeft regels ten aanzien van de betaling van geldschulden. Deze worden hier deels verwoord en deels gespecificeerd. Hoofdregel is girale betaling. De wetgever acht dit aangewezen, gelet op aspecten van veiligheid, betrouwbaarheid en eenvoud. Er kunnen niettemin redenen zijn om tot een andere wijze van betaling te komen. Om die reden is het in het tweede lid mogelijk gemaakt om kasbetalingen te verrichten. Waar het om kleine bedragen gaat of personen die om wat voor reden dan ook niet over een bankrekening beschikken, kan het bezwaarlijk zijn om girale betaling te verlangen. Het college bepaalt wanneer dat aan de orde is. om die reden kunnen bijvoorbeeld grote kasbetalingen worden geweigerd.
 
Artikel 15 – afboeking van de betaling
Als een schuldenaar meerdere geldschulden aan de gemeente heeft, kan de vraag rijze op welke geldschuld een betaling moet worden afgeboket. Om daarin te voorzien bepaalt dit artikel, in aanvulling op de bepalingen in artikel 4:92 Awb, dat als de schuldenaar geen bestemming aan de betaling heeft verbonden, deze wordt afgeboekt op de oudste openstaande geldschuld. De aard van de vordering kan echter aanleidng zijn om daarvan af te wijken.
 
Artikel 16 – gebruik maken van verrekening en preferentie
De begrippen: verrekening en preferentie (=rangorde van schulden) worden hieronder verduidelijkt.
Ingevolge art. 127, 2e lid boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een schuldenaar altijd de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
Daarnaast kennen ook een aantal bijzondere wetten een bepaling die de bevoegdheid geeft tot directe verrekening van een geldschuld met een (nog) te verstrekken publiekrechtelijke uitkering of inkomensvoorziening.
Genoemd kunnen worden:             

- artikel 58 WWB: ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden en art. 60 (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Bbz, of Wwik-uitkering)

- Bbz: maakt deel uit van de WWB);

- uitkering o.g.v. artikel 25 IOAW (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 20f (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Wwik, of WWB-uitkering);

- uitkering o.g.v. artikel 25 IOAZ (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 20f (=verrekeningsbevoegdheid met IOAW – IOAZ, Wwik, of WWB-uitkering);

- uitkering o.g.v. artikel 54 WIJ (=ontvangen middelen over voorafgaande 3 maanden) en art. 56 (=verrekeningsbevoegdheid met WWB, IOAW – IOAZ, Bbz of Wwik-uitkering)

- o.g.v. artikel 38 Wko zijn o.a. art. 58 en 60 WWB van toepassing.

 
Preferentie gaat spelen als de schuldenaar meerdere schulden heeft en diens inkomen en/of vermogen is ontoereikend om deze allemaal tegelijkertijd terug te betalen.
In dat geval zal een rangorde moeten worden bepaald welke schuldeiser het eerste recht van terugbetaling (=preferentie) heeft.
Van de bijzondere wetten die de afdeling Sociale Zaken en Werk uitvoert zijn er een aantal die op het onderdeel bestuursrechtelijke geldschuld een bepaling kennen waardoor zij wettelijk bevoorrecht zijn t.o.v. van andere geldschulden en volgen onmiddellijk na de vorderingen genoemd in art. 3:288 van het Burgerlijk Wetboek. Zo’n preferentiebepaling is opgenomen in respectievelijk:

- artikel 60 WWB (=terugvordering) en art. 61i (=verhaal);

- Bbz: maakt deel uit van de WWB;

- artikel 30 IOAW;

- artikel 30 IOAZ;

- artikel 56 WIJ;

- o.g.v. artikel 38 Wko is o.a. art. 60 WWB van toepassing;

Opgemerkt wordt dat een verrekeningsrecht boven preferentie gaat.
Met verwijzing naar het vermelde onder beleidskeuze 1 (=motivering om gebruik te maken van de gegeven bevoegdheid tot terugvordering en verhaal), is het logisch dat de gemeente alle middelen benut die haar ter beschikking staan om tot invordering van de opgelegde geldschuld te komen.
In het verlengde hiervan dient de gemeente dan ook het recht van verrekening toe te passen of zich te beroepen op preferentie, waar dat mogelijk en toepasbaar is. Dit geldt ook voor als lening verstrekte (bijzondere) bijstand of Bbz-verstrekking.
 
Gelet op het gemeentelijke armoede –en schuldhulpverleningsbeleid dient bij de invordering van een gemeentelijke geldschuld de schuldenaar echter niet tot op het bot uitgekleed te worden en dient bij een dergelijk verzoek een individuele afweging te worden gemaakt.
 
Artikel 17 – gebruik maken van mogelijkheid tot conservatoir en executoriaal beslag
In het verlengde om bij de invordering van een bestuursrechtelijke geldschuld gebruik te maken van de mogelijkheden van verrekening en preferentie, dient bij een (dreigende) stagnerende invordering daar waar dat wettelijk mogelijk is ook gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheid tot beslag. Bij een aantal wetten/regelingen beschikt de gemeente over het recht om zonder tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder het benodigde dwangbevel bekend te maken door toezending per post i.p.v. betekening van een exploot. Hierdoor is de te volgen procedure om executoriaal beslag op inkomen te leggen veel eenvoudiger en veel minder kostbaar.
 
Voorwaarde is wel dat uit onderzoek er een adres en een inkomen van de schuldenaar bekend is. Als die gegevens op dat moment (nog) niet bekend zijn, is het beter om enige tijd geen invorderingsactiviteiten te ondernemen en op een later tijdstip het onderzoek nog eens te doen. Ook kan er voor gekozen worden om de invordering dan uit te besteden aan een incassobureau/ deurwaarderskantoor.
 
Artikel 18 – betalingsvoorstel
Ingevolge artikel 14 sub a van deze regeling wordt aan mensen in de terugvorderingsbeschikking de mogelijkheid geboden om een voorstel te doen tot gespreide betaling van de schuld. Op een dergelijk voorstel van belanghebbende dient de gemeente binnen 8 weken na ontvangst te beschikken.
Indien de betalingsregeling tot stand komt wordt dit vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling ex artikel 4:94 Awb. Daarbij wordt aangegeven dat de betalingsregeling inhoudt dat invordering van de gehele schuld uitgesteld wordt en dat maandelijks een bepaald bedrag moet worden voldaan. Aan dit uitstel van betaling kunnen verplichtingen worden verbonden. Enkele van deze mogelijke verplichtingen zijn genoemd in het vierde lid. De verplichtingen hebben de strekking om het uitstel zo kort mogelijk te laten duren. Algehele voldoening is immers de norm.
 
Als belanghebbende na het verleende uitstel in strijd met de betalingsregeling vervolgens op enig moment zijn betalingen staakt, is het van belang dat de gemeente het heft in handen neemt c.q. kan nemen. Zie hiertoe het gestelde in lid 1 sub b van het artikel: de vordering is in dat geval weer ineens opeisbaar c.q. de gemeente is niet langer gehouden aan betalingsregeling. Op dat moment dient het verleende uitstel van betaling te worden ingetrokken. Dat moet met een beschikking plaatsvinden.
 
Artikel 19 – aflossingsverplichting
De aflossingsverplichting ingevolge beleidsregel 10 wordt berekend naar draagkracht. In het onderhavige artikel 12 zijn deze draagkrachtregels neergelegd. Hierbij gelden de navolgende uitgangspunten:
 
Lid 1: Mensen met een inkomen op bijstandsniveau hebben een aflossingsverplichting van 7,5% van de voor hun geldende toepasselijke bijstandsnorm. De toevoeging “exclusief vakantiegeld” betekent dat belanghebbenden volledig de beschikking blijven houden over het vakantiegeld. Op deze manier wil de gemeente, vanuit het oogpunt van armoedebeleid, debiteuren financieel tegemoet komen.
 
Lid 2: In geval van een fraudeschuld hebben mensen met een inkomen op bijstandsniveau een zwaardere aflossingsverplichting als in geval van een niet-fraudeschuld (lid 1): het te ontvangen vakantiegeld dient ook ter aflossing door belanghebbenden te worden aangewend.
Wel is het zo dat ook bij fraudeurs een percentage van 7,5% wordt gehanteerd in plaats van 10% zoals veel gemeenten doen (aansluitend bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin is bepaald dat de beslagvrije voet 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt).
Achterliggende gedachte bij deze keuze is de berekeningssystematiek ingevolge Rv.
Ingevolge artikel 475d lid 5 Rv kan de gemeente formeel niet volstaan met het bepalen van een percentage van 10% maar dienen correctiefactoren als ziektekosten en woonlasten in ogenschouw te worden genomen waardoor in de praktijk het aflossingspercentage van 10% veelal ten gunste van de debiteur dient te worden gesteld op een lager percentage.
Om praktische redenen heeft Vlaardingen dan ook gekozen om ook in geval van fraudeschulden 7,5% aflossingsverplichting te hanteren in plaats van 10%. Op deze manier wordt voorkomen dat de medewerker terugvordering en verhaal telkens opnieuw een berekening dient te maken op basis van door belanghebbende te verstrekken gegevens en wordt anderzijds voorkomen dat de gemeente in strijd met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering handelt door zondermeer een aflossing van 10% te hanteren. In geval van lid 5 ligt het evenwel anders.
 
Lid 3: Indien mensen een inkomen hebben boven bijstandsniveau wordt qua aflossingsverplichting een nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen fraude- en niet fraudevorderingen. In geval van fraudevorderingen bedraagt de aflossing 10% van de bijstandsnorm (inclusief vakantegeld) plus 60% van het verschil tussen het netto inkomen (inclusief vakantiegeld) en de netto bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag). In geval van andere vorderingen bedraagt de aflossing 7,5% plus 50% van het verschil.
 
Lid 4: Vanwege de zogenaamde armoedeval-problematiek alsook een financiële stimulans tot werkaanvaarding, is bepaald dat mensen na beëindiging van hun uitkering nog voor 18 maanden worden gelijkgesteld met uitkeringsgerechtigden als het gaat om het bepalen van de aflossingsverplichting.
 
Lid 5: Ingevolge de leden 1 tot en met 4 staat de gemeente Vlaardingen voor een invorderingsbeleid dat soepeler is dan de wettelijke norm ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitgangspunten van een dergelijk beleid kunnen evenwel teniet worden gedaan in geval van beslaglegging door een derde. In geval een andere schuldeiser gaat invorderen met inachtneming van de beslagvrije voet, wordt de financiële armslag zoals de gemeente Vlaardingen die aan mensen gunde niet meer gevoeld. Immers het volledige inkomen boven de beslagvrije voet wordt aan schuldeisers afgedragen, deels aan de gemeente, deels aan andere schuldeiser(s).
In dergelijke gevallen staat het de gemeente Vlaardingen vrij om alsnog tot invordering over te gaan conform Rv. Let wel, het gaat hier om een zogenaamde “kan”- bepaling. Het betreft dus geen verplichting. Achterliggende gedachte daarbij is om de medewerkers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ruimte te geven om, indien een dergelijke situatie ontstaat, met de andere schuldeiser(s) in gesprek te treden en afspraken over de inning /verdeling van de in te vorderen gelden te maken.
Het wettelijke recht van de schuldeiser moet daarbij eerbiedigt worden. Dit betekent dat de wettelijke regels dienaangaande van toepassing blijven wanneer de schuldeiser daar aanspraak op maakt.
 
Artikel 20 – afbetaling in 36 maanden
Om praktische redenen kan een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende achterwege blijven indien de belanghebbende aan de gemeente een betalingsvoorstel doet waardoor de schuld binnen 36 maanden is afbetaald. Het minimale te hanteren aflossingsbedrag is in dat geval gelijk aan 7,5% van de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag die voor belanghebbende zou gelden indien deze zou zijn aangewezen op een bijstandsuitkering.
Indien het gaat om een fraudevordering dan wel belanghebbende in het verleden herhaaldelijk zijn betalingsverplichting niet afdoende is nagekomen, kan de gemeente ingevolge lid 2 besluiten om niet op het betalingsvoorstel van belanghebbende in te gaan en alsnog een aflossingsverplichting te hanteren.
 
Artikel 21 – aflossingscapaciteit en vermogen
Ingevolge dit artikel heeft de gemeente de mogelijkheid om (deels) af te zien van een maandelijkse betalingsregeling indien blijkt dat belanghebbende beschikt over vermogen dat hij redelijkerwijs ten gelde kan maken.
De berekening is conform het gestelde in artikel 34 WWB. Het vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 lid 3 WWB blijft buiten beschouwing.
 
Artikel 22 – tussentijdse wijziging van aflossingsverplichting door het college
Een eenmaal door het college vastgestelde aflossingsverplichting kan door het college in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek draagkracht.
 
Artikel 23 – verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door belanghebbende
De belanghebbende kan altijd een verzoek indienen bij het college tot een wijziging van de vastgestelde aflossingsverplichting. Met inachtneming van de Awb, neemt het college vervolgens een tijdig besluit.
 
Artikel 24 – betalingsherinnering, aanmaning, verrekening, beslag en rente
De gemeente Vlaardingen heeft ervoor gekozen om bij uitblijven van tijdige betaling tweemaal een herinneringsbrief te versturen eventueel gevolgd door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb (een aanmaning als ‘voorbode’ van het uitvaardigen van een dwangbevel). De betalingstermijnen worden in de correspondentie gesteld op 10 dagen.
Is evenwel sprake van een belanghebbende die al eerder (binnen een periode van een jaar) nalatig is geweest met tijdige betaling, dan behoeft een dergelijke aanmaning niet verstuurd te worden
(lid 4). In een dergelijk geval kan de gemeente Vlaardingen direct tot het treffen van zogenaamde executiemaatregelen ingevolge lid 3 overgaan.
 
De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van:
- verrekening wanneer aan de debiteur tevens een uitkering wordt verleend (sub a);
- het leggen van derdenbeslag (sub b) of
- beslag op roerende of onroerende zaken (sub c).
 
Verrekening met de uitkering wordt gebaseerd op artikel 4:93 Awb in combinatie met de specifieke bepaling in de wettelijke regeling die dat mogelijk maakt.
 
Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering. Tussenkomst van een deurwaarder is in dat geval niet nodig.
 
Voor de inwerkingtreding van titel 4.4 Awb was in de Wwb (art. 58 lid 4 Wwb) de bevoegdheid opgenomen om de vordering te verhogen met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Voor een vordering o.g.v. de Wko gold o.g.v. het bepaalde in art. 38
Wko hetzelfde regime. In de Awb zijn sinds de inwerkingtreding van titel 4.4 bepalingen opgenomen over wettelijke rente en invorderingskosten.
 
Wettelijke rente (lid 6):
De Awb bepaalt in art. 4:98 dat wanneer de schuldenaar niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald er wettelijke rente verschuldigd is, tenzij het bedrag van de wettelijke rente lager uitvalt dan het in de wet bepaalde minimum bedrag. De gemeente moet het bedrag van de wettelijke rente bij beschikking vaststellen. De gemeente is niet verplicht om wettelijke rente in rekening te brengen. Zij is wel verplicht om wettelijke rente te vergoeden (zie beleidsregel 17).
Beleid tot inwerkingtreding van titel 4.4. Awb was om alleen rente in rekening te brengen als de invordering van de bestuursrechtelijke geldschuld uit handen wordt gegeven aan een deurwaarder of incassobureau. Dit beleid wordt met de inwerkingtreding van titel 4.4 Awb voortgezet.
Opgemerkt wordt dat v.w.b. de verlening van bijstand onder verband van krediethypotheek het Besluit
Krediethypotheek geldt waarbij er afwijkende regels gelden. Indien bij verkoop of vererving van het onroerend goed de vordering ineens wordt afgelost, wordt geen rente in rekening gebracht. Indien de periodieke bijstandsuitkering wordt beëindigd, wordt na 10 jaar wettelijke rente doorberekend, om op die wijze de belanghebbende te stimuleren de vordering binnen die 10 jaar te voldoen, ook al betekent dat (uit vrije wil) een hogere aflossing dan de eerdere gestelde minimale 10% per jaar over de totale vordering.
 
Artikel 25 – dwangbevel
De mogelijkheid om via dwangbevel tot executiemaatregelen te komen moet in de bijzondere wet zijn vastgelegd (art. 4:115 Awb). Dat is het geval voor de WWB, IOAW, IOAZ, WIJ, Wko en WI. Uitgangspunt is dat van de dwangbevelmogelijkheid gebruik wordt gemaakt wordt. Dit is immers een eenvoudiger wijze om een executoriale titel te bemachtigen, dan via de civiele rechter. Niettemin kunnen er redenen zijn om toch de civiele rechter te adiëren. Om die reden is in het tweede lid vastgelegd dat daarvoor gekozen kan worden, als het vermoeden bestaat dat de schuldenaar inkomens- of vermogensbestanddelen in het buitenland bezit. Een civiele procedure maakt het mogelijk dat de rechterlijke beschikking EET-gewaarmerkt wordt. Daarmee kan deze in de gehele EU ten uitvoer worden gelegd.
 
Uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vloeit voort dat als er meerdere geldschulden zijn die invorderbaar zijn, deze in beginsel worden ingevorderd door middel van de ten uitvoerlegging in één dwangbevel. Dat bespaart de schuldenaar kosten.
 
Artikel 26 – afzien van (verdere) invordering
Binnen de debiteurenuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in verhouding staan tot de hoogte van een (restant-) vordering. De doelmatigheidstoets in lid 1 beoogt in die zin nadrukkelijk aan de medewerker terugvordering en verhaal een grote beoordelingsvrijheid te geven om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering van vorderingen < € 150,00.
 
Gaat het om (restant-) vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 dan geldt ingevolge lid 2 als aanvullende voorwaarde dat incasso gedurende 5 jaren onmogelijk is gebleken alsook niet aannemelijk is dat belanghebbende in de toekomst tot betaling zal overgaan. Gaat het om (restant-) vorderingen van € 5000,00 of meer dan bedraagt deze termijn, ingevolge lid 3, 10 jaar.
 
Artikel 27 – in rekening brengen van rente- en aanmaningskosten
Het in rekening brengen van aanmaningskosten is een bevoegdheid. Vanwege de administratieve belasting voor de gemeente wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt.
 
Gewezen wordt in deze nog op art. 4:92 Awb waarin een dwingende volgorde is bepaald waaraan
betalingen van een schuldenaar moeten worden besteed t.w.:
1e: in mindering op de (invorderings)kosten;
2e: in mindering op de wettelijke rente;
3e: in mindering op de hoofdsom en lopende rente.
 
Artikel 28 - vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling door de gemeente
Het kan ook voorkomen dat niet de gemeente maar de burger de schuldeiser is en de gemeente op een te laat tijdstip de aan de burger toekomende geldschuld overmaakt.
Gedacht kan hierbij worden aan een foutieve beslissing die in bezwaar of beroep wordt gecorrigeerd of een te late -of foutieve uitbetaling door de gemeente.
In die gevallen is het niet de burger maar de gemeente die in verzuim is als niet binnen de voorgeschreven termijn wordt betaald en dient altijd ambtshalve de wettelijke rente te worden toegekend o.g.v. art. 4:98 Awb.
M.u.v. vonnissen van de rechter in beroep, dient een rentevergoeding altijd bij beschikking te geschieden.
 
Artikel 29 – verhaalsbevoegdheid
Artikelen 56, 61 en 62 WWB bepalen dat het college tot de inwerkingtreding van de kosten van bijstand kan verhalen. Artikel 57 Wij verklaart de regels van de WWB m.b.t. verhaal onverkort van toepassing voor het verhalen van inkomsten voorziening m.b.t. de WIJ.
 
Verhaal is een bevoegdheid van het college. Om onduidelijkheid uit te sluiten is in het tweede lid vastgelegd dat de verhaalsparagraaf ook geldt voor verhaal in het kader van de WIJ, waarvoor identieke regels gelden als de WWB.
 
Artikel 30 – afzien van verhaal
Ingevolge lid 1 wordt van verhaal afgezien indien het verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar. De keuze voor deze beperking is, gelijk artikel 18 van deze beleidsregels, ingegeven door redenen van doelmatigheid c.q. een kosten-baten-analyse.
Let op: conform deze beleidsregel wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit. Dat is iets wezenlijks anders dan het afzien van verhaal in rechte.
Bij dat laatste is wel een verhaalsbesluit genomen, maar wordt vervolgens geen procedure aanhangig gemaakt bij de rechter indien de belanghebbende nalaat tot betaling over te gaan.
 
Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de gemeente geheel of gedeeltelijk van verhaal kan afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
In het algemeen kan er sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van lijf en geest van de belanghebbende. Uit de aard der zaak kan een dringende reden nimmer financieel van aard zijn: indien de onderhoudsplichtige niet in staat is om bij te dragen in de bijstandskosten is verhaal (tijdelijk) wegens het ontbreken van draagkracht niet mogelijk.
 
Artikel 31 beoordeling van mate van onderhoudsplicht
Het betreft hier de uitvoering van de zogeheten Trema-normen. Genoemde normen worden door de rechtbank gehanteerd bij de vaststelling van de alimentatie die voorzien in zowel een zogenaamde netto- als een brutoberekening. In afwijking van de Trema-normen wordt door de gemeente het navolgende gehanteerd:
 
Ter compensatie van diverse emolumenten die voor een bijstandsgerechtigde wel en voor een onderhoudsplichtige niet gelden wordt in het netto-traject van de draagkrachtberekening een forfaitaire aftrek toegepast van € 22,69 per maand voor een onderhoudsplichtige zonder kinderen. Voor de onderhoudsplichtige met minderjarige kinderen in zijn gezin is dit bedrag verdubbeld tot € 45,38 per maand. Voor wat betreft de reis- en verblijfkosten van de bezoekregeling wordt als een auto noodzakelijk is ten behoeve van de omgangsregeling uitgegaan van een kilometerprijs van € 0,16. Met de kosten in het kader van de omgangsregeling wordt rekening gehouden tot een bedrag ad € 6,81 per dag per kind. Voor het woon-werkverkeer wordt een bedrag ad € 0,16 per kilometer in aanmerking genomen, met een maximum van het hoogste tarief van een maandtrajectkaart 1e klasse.
De eventueel van de werkgever ontvangen vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer wordt hierop in mindering gebracht. Bij het omrekenen van de afstand enkele reis naar het aantal kilometers per maand wordt uitgegaan van tweemaal de dagafstand gedurende 5 dagen per week en 47 weken per jaar. Met (de reservering) voor de herinrichtingskosten van degene, die bij de scheiding, waaronder eveneens valt de verbreking van de samenwoning, wordt gedurende maximaal 5 jaar een bedrag ad € 136,13 per maand in mindering gebracht op de draagkracht, als aannemelijk is dat er herinrichtingskosten zijn of moeten worden gemaakt.
In afwijking van de Trema-normen wordt door de gemeente in de draagkrachtberekening rekening gehouden met de spaarloonregeling, als de onderhoudsplichtige aantoont dat hij daaraan daadwerkelijk deelneemt.
 
Artikel 32 – verhalen volgens rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud
Dit artikel verwoordt voor de WWB en de WIJ wat reeds in artikel 62b WWB is vastgelegd. Het verhalen in overeenstemming met de alimentatiebeschikking van de rechter gaat via dwangbevel. Er is weliswaar een executoriale titel beschikbaar, deze geldt uitsluitend tussen partijen (onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde/klant). Om de rechterlijke beschikking executoriale kracht te verlenen, heeft de wetgever de weg van het dwangbevel aangewezen. Zodoende kan de gemeente zich een titel verwerven waarmee geëxecuteerd kan worden.
 
Artikel 33 – wijziging door rechter vastgesteld bedrag levensonderhoud
Betreft de verwoording van artikel 62e WWB.
 
Artikel 34 – inhoud van het verhaalsbesluit
Betreft de verwoording van artikel 62g WWB.
 
Artikel 35– ingangsdatum en betaling verhaalsbijdrage
In het kader van de rechtszekerheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van belanghebbende. Let wel: indien de belanghebbende niet overgaat tot betalen en de gemeente een verhaalsprocedure start bij de rechtbank, zal de rechtbank de ingangsdatum van verhaal anders vast stellen indien het tijdvak groot is tussen de door de gemeente vastgestelde ingangsdatum van verhaal en het aanhangig maken van de procedure.
 
Ingevolge lid 2 van de beleidsregel dient tot slot in de beschikking te worden vermeld dat de termijn van betaling zes weken is.
 
Artikel 36– verhaal in rechte
Op het moment dat de gemeente een verhaalsbesluit heeft genomen en belanghebbende betaalt niet, dan is een uitspraak van de rechter nodig. De uitspraak van de rechter levert een executoriale titel op.
 
Artikel 37 – verrekening en beslaglegging
Vanaf het moment van het verkrijgen van een executoriale titel is er geen reden om verhaalsvorderingen anders te bezien dan vorderingen die voortkomen uit terugvordering. Om die reden zijn op grond van dit artikel de invorderingsbepalingen terugvordering dan ook van toepassing op (afdwingbare) verhaalsvorderingen met dien verstande dat de invordering van verhaalsvorderingen gelijk worden gesteld met terugvorderingen niet zijnde fraudevorderingen.
 
Artikel 38 – (her-) onderzoek naar draagkracht
Verhaalsonderzoeken zijn intensief en blijken in de praktijk slechts in beperkte mate te leiden tot gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage. Om die reden is in dit artikel het uitgangspunt neergelegd dat een verhaalsonderzoek eenmaal per 36 maanden plaatsvindt. Deze onderzoeksfrequentie in combinatie met de criteria zoals neergelegd in lid 2, moeten er toe leiden dat de belasting van de medewerker terugvordering en verhaal op dit terrein wordt verminderd
(efficiency en effectiviteit).
 
Artikel 39 – verhaal en schuldsanering
Komt in gote lijnen overeen met artikel 11 voor wat betreft terug- en invordering.
 
Artikel 40 – afzien van (verdere) invordering
Binnen de verhaalsuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in verhouding staan tot de hoogte van een (restant-) vordering. De doelmatigheidstoets in lid 1 beoogt in die zin nadrukkelijk aan de medewerker terugvordering en verhaal een grote beoordelingsvrijheid te geven om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering van vorderingen < € 150,00.
 
Gaat het om (restant-) vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 dan geldt ingevolge lid 2 als aanvullende voorwaarde dat incasso gedurende 5 jaren onmogelijk is gebleken alsook niet aannemelijk is dat belanghebbende in de toekomst tot betaling zal overgaan. Gaat het om (restant-) vorderingen van € 5000,00 of meer dan bedraagt deze termijn, ingevolge lid 3, 10 jaar.
 
Artikel 41 - Verplichting van de bijstandgerechtigde
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om de bijstandsgerechtigde te verplichten zijn of haar medewerking te verlenen om de onderhoudsbijdrage van de onderhoudsplichtige af te dwingen. De onderhoudsverplichting wordt door ons college beschouwd als een voorliggende voorziening conform artikel 5 sub e van de WWB, een voorziening buiten de wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep op kan doen.
 
Artikel 42 – nadere invulling van beleid
Het college kan deze beleidsregels nader uitwerken in een beleidsnotitie en/of het Vlaardings handboek.  
 
Artikel 43 – intrekking oude regeling
Conform de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving dienen de ‘oude’ beleidsregels ingetrokken te worden (aanwijzing 123). Uitzondering op die regel is dat voor geldschulden, die voor de inwerkingtreding van de vierde tranche (1 juli 2009) zijn vastgesteld, het ‘oude’ recht blijft gelden en de ‘oude’ beleidsregels daarom van toepassing blijven.
 
Artikel 44 – inwerkingtreding
Behoeft geen nadere toelichting.
 
Artikel 45 – citeertitel
Behoeft geen verdere toelichting.