| Overheidsorganisatie: | gemeente Vlaardingen |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling: | Beleidsregels terugvordering en verhaal 2009 |
| Citeertitel: | Beleidsregels terugvordering en verhaal 2009 |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld): | |
| Besloten door: | college van burgemeester en wethouders |
| Onderwerp: | financiën en economie |
Nationale wetgeving
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 01-01-2009 | nieuwe regeling | 04-11-2008 Gemeenteblad,
2009, 02. 6-2-2009. |
VLD/2009/8229
|
| Beleidsregels terugvordering en verhaal 2009 | + |
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om in alle gevallen het recht op bijstand te herzienof in te trekken overeenkomstig het bepaalde in artikel 54 lid 3 WWB tenzij in deze regelinganders is bepaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van een dringende reden.
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om in alle gevallen de kosten van bijstand terug te vorderen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 58 tot en met 60 van de WWB, tenzij in deze regeling anders is bepaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van een dringende reden.
1. Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk en Bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
- WWB: Wet Werk en Bijstand;
- IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- BW: Burgerlijk Wetboek;
- Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
- Abw: Algemene bijstandswet;
- Wet Suwi: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;
- Regeling: onderhavige beleidsregels terugvordering en verhaal.
Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien:
1. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 WVVB of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een tehoog bedrag verlenen van bijstand.
2. anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
3. Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan op grond van dringende redenenworden afgezien.
1. Onverminderd het bepaalde onder artikel 5 worden kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd.
2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulksachterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 17 WWB of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de gezinsleden met wiens middelen als bedoeld in artikel 31 WWB bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
3. de onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
1. Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens ingevolge artikel 16 indien een draagkrachtonderzoek daartoe aanleiding geeft.
2. Het college stelt nadere regels over de periode en de frequentie waarbinnen het draagkrachtonderzoek wordt gedaan.
1. Belanghebbende kan een verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting.
2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
3. Het besluit wordt genomen met inachtneming van de regels zoals neergelegd in artikel 14, 15 en 16 van deze regeling.
1. Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 en het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht en € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
1. Het college maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 92 lid 2 en 3 tot en met 105 Abw Jo. artikel 13 lnvoeringswet WWB, tenzij in deze regeling anders is bepaald.
2. Vanaf het moment dat de artikelen 56, 61 en 62 WWB in werking treden, blijft onderhavige regeling, inclusief het gestelde in lid 1, van toepassing, behoudens in geval van discrepantie tussen de regeling en de artikelen 56, 61 en 62 WWB. In dat laatste geval hebben de regels zoals neergelegd in de artikelen 56, 61 en 62 WWB te gelden en de in lid 1 genoemde artikelen alsook de onderhavige regeling slechts voor zover de artikelen 56, 61 en 62 WWB dat toelaten.
1. Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit ingevolge artikel 93, 99 of 100 Abw indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of €600,00 per jaar.
2. Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
1. Eén keer per 36 maanden verricht het college onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage ingevolge artikel 93 Abw. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalsbijdrage gewijzigd vastgesteld.
2. Er wordt niet overgegaan tot een nieuw verhaalsbesluit ingevolge artikel 93 Abw indien:
a. uit het draagkrachtonderzoek blijkt dat de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met €50,00 per maand of
b. het woonadres en de gezinssamenstelling van de belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek gelijk zijn gebleven en het gezinsinkomen van belanghebbende ten opzichte van het laatstelijk verrichte onderzoek met minder dan 15 % bruto is gestegen.
1. In afwijking van beleidsregel 19 kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voorzover het betreft verschuldigde verhaalsbijdragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en;
c. de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in lid 1 onder b tot stand is gekomen.
3. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in lid 1 genoemde voorwaarden onder a, ben c;
b. de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of;
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
1. Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de (restant)vordering minder bedraagt dan € 150,00 én het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is.
2. Bij (restant)vorderingen van € 150,00 tot€ 5.000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten van invordering af te zien indien incasso van de vordering gedurende vijf jaren onmogelijk is gebleken en ook niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
3. Indien de (restant)vordering € 5.000,00 of meer bedraagt, kan de (restant)vordering slechts dan worden afgeboekt indien incasso van de vordering gedurende 10 jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten.
De Wwb maakt onderscheid in terugvordering en verhaal van kosten van bijstand.
Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte verleende bijstand. De bijstand wordt teruggevorderd van degene aan wie de bijstand is uitbetaald, dus van de uitkeringsgerechtigde zelf.
Bij verhaal van bijstand gaat het om het terugkrijgen van de kosten van bijstand van een andere persoon dan de uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld in verband met:
a. de onderhoudsplicht;
b. verhaal op nalatenschappen;
c. verhaal i.v.m. schenkingen.
In de artikelen 58 tot en met 62 WWB heeft de wetgever de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand en het verhalen van bijstand bij derden geregeld. Vanaf de inwerkingtreding van de WWB is terugvordering en verhaal geen verplichting meer voor het college maar een bevoegdheid. Hieruit volgt dat het college de beleidsruimte heeft om zelf eigen afwegingen te maken over de wijze waarop zij hieraan invulling wil geven. Het gaat dan niet alleen om het terugvorderen en verhalen op zichzelf maar ook om de wijze waarop het college haar beleidsruimte invult met betrekking tot de invordering van vorderingen uit hoofde van terugvorderings- en verhaalsbesluiten alsook de wijze waarop zij vorm wil geven aan kwijtschelding.
Terzijde worden hier twee opmerkingen gemaakt:
a. Binnen de jurisprudentie van de bestuursrechter wordt uit deze bevoegdheid afgeleid dat
het college gehouden is rekening te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van een redelijke belangenafweging (artikel 3:4 eerste lid Awb), alsmede met de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb;
b. Ingevolge artikel 13 Invoeringswet VVWB zijn de artikelen 61 en 62 WWB inhoudelijk nog
niet in werking getreden en blijven de oude verhaalsbepalingen van de Algemene bijstandswet hun rechtswerking behouden.
Door vaststelling van deze beleidsregels beoogt het college enerzijds een meer slagvaardiger en doelgerichter uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, anderzijds om aan de klant rechtszekerheid te bieden voor wat betreft de wijze waarop het college aan de gegeven beleidsruimte invulling geeft.
Bij de opmaak van de beleidsregels zijn nadrukkelijk de volgende uitgangspunten in ogenschouw genomen:
- Hoofdregel is dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop.
- Altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat burgers (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over kwijtschelding, afkoop van schulden en de bepaling van de aflossingscapaciteit wordt dan ook getracht om een goede balans te vinden tussen de belangen van de gemeente als schuldeiser enerzijds en de belangen van de burger als debiteur anderzijds. Iets abstracter beredeneerd: de gemeente dient een maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit die invalshoek is het van belang om oog te hebben voor de persoonlijke situatie van de debiteur. Feitelijk gaat het dan om ook om armoedebeleid.
- Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit moeten beleidsmatig keuzes worden gemaakt. In de bepalingen inzake de zogenaamde kruimelbedragen laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de beleidsregels wordt in die zin ook telkens een kostenbaten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?
- Fraude mag niet lonen. Dat is het uitgangspunt. Ook hier moet echter de balans worden gezocht in relatie tot efficiency en effectiviteit en de belangen van de debiteur. In de beleidsregels moet dan ook terugkomen dat bijvoorbeeld ook in geval van fraudeschulden mogelijkheden bestaan voor kwijtschelding en afkoop van schuld. Wel moet dan telkens vanuit het benoemde principe dat fraude niet mag lonen, bewust voor gekozen worden om de criteria voor fraudeschulden te verzwaren ten opzichte van niet-fraude-schulden.
Artikel 1 — herzienings- en intrekkingsbesluit
Herziening en intrekking van het recht op bijstand vormen een belangrijke grondslag voor de terugvordering. Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algemene bevoegdheid van de gemeente. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid. In die zin is lid 1 van dit artikel dwingend geformuleerd.
Lid 2 formuleert de uitzondering op lid 1: herziening of intrekking vindt niet plaats indien er sprake is van een dringende reden.
Voor een nadere toelichting van de betekenis van dringende redenen sluit het college zich aan bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld binnen de reguliere jurisprudentie van de bestuursrechter.
Twee punten worden hierover nog nadrukkelijk opgemerkt.
Bij de beoordeling van dringende redenen is het gebruikelijk dat een onderscheid gemaakt wordt tussen omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de klant en omstandigheden die toerekenbaar zijn aan het bestuursorgaan. In de laatste situatie is de toepasselijkheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van groot belang, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.
Overigens hoeft het college, indien zij besluit om geheel van herziening of intrekking af te zien, de belanghebbende in beginsel niet op de hoogte te stellen van dit besluit. Dit is anders indien de belanghebbende er zelf om heeft verzocht. Het is overigens wel goed om altijd in het dossier te vermelden of het college besloten heeft om van de bevoegdheid tot herziening/intrekking geen gebruik te maken.
Artikel 2 — terugvorderingsbevoegdheid
Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. In de gevallen zoals benoemd in artikel 58 WWB, worden de kosten van bijstand teruggevorderd. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd, is lid 1, bij wijze van hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit laat onverlet dat het college ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels, rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De bijstand wordt teruggevorderd van degene aan wie de bijstand ten onrechte is verleend: de belanghebbende. Gezinsbijstand wordt van alle gezinsleden teruggevorderd. In gevallen van een verzwegen partner wordt ook van de verzwegen partner teruggevorderd (artikel 59 lid 2 WWB).
Alle gezinsleden van wie bijstand wordt teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering (artikel 59 lid 3 WVVB). Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd, In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen, kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant) bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.
Ingevolge lid 2 kan worden afgezien van terugvordering wegens dringende redenen. Voor een nadere toelichting van de betekenis van dringende redenen sluit het college zich aan bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld binnen de reguliere jurisprudentie van de bestuursrechter.
Twee punten worden hierover nog nadrukkelijk opgemerkt.
Bij de beoordeling van dringende redenen is het gebruikelijk dat een onderscheid gemaakt wordt tussen omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de klant en omstandigheden die toerekenbaar zijn het bestuursorgaan. In de laatste situatie is de toepasselijkheid van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van groot belang, in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van een redelijke belangenafweging.
In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens een dringende reden.
Artikel 3 — begripsbepalingen
Als het gaat om verhaal en terugvordering, is er een duidelijke samenhang met de Algemene wet bestuursrecht. Maar ook met het civiele recht bestaat een duidelijke samenhang.
Het verhaalsrecht is feitelijk een direct afgeleide van het personen- en familierecht (BW boek 1) waardoor begrippen zoals gehanteerd in het familierecht ook gebruikelijk zijn in de verhaalspraktijk. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de invordering van vorderingen: begrippen als “executiekosten”, “verzuim” en “minnelijk” zijn afkomstig uit het privaatrecht en hebben in de bijstandspraktijk dezelfde betekenis.
Artikel 4 — herziening of intrekking van het toekenningsbesluit
Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid geworden van burgemeester en wethouders. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maken burgemeester en wethouders in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze bevoegdheid. De bepalingen onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 69 lid 3 Abw en 54 lid 3 WWB, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd.
1. indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel de gemeente als naar het CWI.
2. In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.
Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door burgemeester en wethouders onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaan burgemeester en wethouders niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht. Een andere overweging is of burgemeester en wethouders als gevolg van een grove fout een foutief besluit hebben genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft.
Artikel 5 — toepassingsgebied beleidsregels terugvordering
Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.
Artikel 6 — ten onrechte verleende bijstand
De hier omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 WWB. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58 WWB, dwingend geformuleerd.
a. bijstand is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 54 lid 3 WWB (of artikel 69 lid 3 Abw) en beleidsregel nummer 2 van de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen.
b. aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten aanzien van het resterende deel van de lening een executoriale titel.
c. Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het toekenningsbesluit
vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend in de vorm van een
borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker)
indien de belanghebbende in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de
geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment van uitbetaling van de bijstand
ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58 lid 1 sub c WWB en de
gemeentelijke beleidsregels kan worden teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij
de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit
noodzakelijk.
d. Een voorschot wordt op grond van artikel 52 WWB van rechtswege (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 2 WWB regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 sub d WWB. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende bijstand.
e. Er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de
bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald.
f. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening
of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend
in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook reeds (bijzondere) bijstand is ontvangen. Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vomi van terugvordering geldt een wettelijke verjaringstermijn van 2 jaar.
g. Behoeft geen toelichting.
h. Behoeft geen toelichting.
Artikel 7— brutering van de vordering
Bijstand wordt netto uitgekeerd. De gemeente draagt evenwel net als een werkgever hierover loonbelasting, premies volksverzekering en de inkomensafhankelijke bijdrage af aan de belastingdienst en het UWV. De gemeente betaalt dus in feite een bruto uitkering. Bij terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand kan het college daarom de bijstand bruto terugvorderen van de belanghebbende. Dit volgt uit artikel 58 lid 4 WWB. De hoogte van het terugvorderingsbedrag wordt berekend aan de hand van hetgeen in totaal aan loonbelasting en premies aan de belastingdienst en het UWV is afgedragen. Terugvordering van over de bijstand afgedragen belasting en premies blijft achterwege, voor zover deze belasting en premies door de gemeente verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het UWV. De mogelijkheid daarvoor doet zich voor bij verrekening binnen het kalenderjaar.
Artikel 8 - terugvordering van gezinsleden
Op grond van artikel 59 lid 2 WWB kan bijstand die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd. Duidelijk moet zijn dat:
• de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner heeft verzwegen.
• de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.
Artikel 9—kwijtschelding bij schuldenproblematiek
Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.
Een dergelijke bepaling komt in de WWB niet voor. In deze beleidsregel is het oude artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen. De belangrijkste verschillen met artikel 78a Abw zijn het gestelde in lid 1 onder sub d en lid 3 van de beleidsregel.
In lid 3 van de beleidsregel wordt gesteld dat ook (gedeeltelijke) kwijtschelding van een fraudeschuld mogelijk moet kunnen zijn indien belanghebbende minimaal de helft van de schuld voldoet of heeft voldaan of minimaal een periode van 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding correct aan zijn afbetalingsverplichting heeft voldaan.
Hoewel het principe heeft te gelden dat fraude niet lonend mag zijn, moet het mogelijk kunnen zijn dat mensen die kennelijk in dusdanig financiële moeilijkheden zitten dat schuldsanering c.q. bemiddeling aan de orde is, ondanks hun frauduleus gedrag, in aanmerking komen voor kwijtschelding.
Artikel 10 — kwijtschelding anders dan bij schuldregeling
Waar artikel 9 heeft te gelden indien sprake is van een schuldregeling, althans een aanzet daartoe, heeft het bepaalde in dit artikel in overige gevallen te gelden. lngevolge artikel 8 kan iedere debiteur voor kwijtschelding van de restant-vordering in aanmerking komen indien men voorafgaand aan het verzoek gedurende minimaal 36 of 60 maanden volledig aan de afbetalingsverplichting heeft voldaan en minstens 75% dan wel 90% van de vordering heeft betaald.
Ook ingevolge dit artikel is het dus mogelijk gemaakt dat fraudeschulden voor kwijtschelding in aanmerking kunnen komen, zij het onder de verzwaarde criteria van 60 maanden afbetaling en 90% aflossing.
Ingevolge lid 3 is daarnaast nog een extra verzwaring ingebouwd, zowel geldend voor de vorderingen die onder lid 1 als onder lid 2 vallen: degene die een beroep doet op kwijtschelding mag in de 5 jaren voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding niet herhaaldelijk zijn inlichtingenplicht hebben geschonden alsook dient hij gedurende 5 jaren aan al zijn aflossingsverplichtingen te hebben voldaan. Ingevolge lid 3 zou het verzoek tot kwijtschelding dus afgewezen kunnen worden omdat de debiteur weliswaar op de huidige vordering correct en tijdig gedurende 36 maanden heeft betaald, maar niet op een andere vordering waarop hij voordien diende af te lossen.
Middels lid 4 van deze beleidsregel wordt voorkomen dat belanghebbende voor kwijtschelding in aanmerking zou kunnen komen indien het gaat om een terugvorderingsschuld ingevolge artikel 58 lid 1 sub f onder 1 en 2 WWB (achteraf verkregen middelen of een achteraf verkregen vergoeding voor kosten, waarvoor met het oog op die bestemming bijstand is verleend).
Artikel 11 — afkoop schuld
Indien mensen middels betaling van een (rest-) bedrag ineens, naast de overig gestelde criteria, feitelijk tot een betaling van 75% dan wel 90% komen, is afkoop tegen finale kwijting mogelijk en ontstaat feitelijk dezelfde situatie als in geval van kwijtschelding ingevolge artikel 8, namelijk het niet meer te behoeven betalen van 25% dan wel 10% van de restant-vordering.
Artikel 12 — inhoud besluit tot terugvordering
Een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand vermeldt als gevolg van artikel 60 lid 1 WWB:
a. hetgeen teruggevorderd wordt;
b. de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald evenals
c. de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.
Ter verdere precisiering, dient als gevolg van lid 1 van beleidsregel 10 tevens in de beschikking te worden vermeld:
d. de mogelijkheid voor belanghebbende om voor het verstrijken van de betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen en/of een verzoek in te dienen tot een betalingsregeling;
e. de aankondiging dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel en/of verzoek tot betalingsregeling, de gemeente gerechtigd is om zonder verdere
vooraankondiging, de vordering ter executie over te dragen aan een derde (deurwaarder of incassobureau);
f. de vermelding dat executiekosten voor rekening van belanghebbende zijn.
Ingevolge lid 2 van de beleidsregel dient tot slot in de beschikking te worden vermeld dat:
g. de termijn van betaling 30 dagen is.
Artikel 13— betalingsvoorstel
Ingevolge artikel 12 lid 1 sub a van deze regeling wordt aan mensen in de terugvorderingsbeschikking de mogelijkheid geboden om een voorstel te doen tot gespreide betaling van de schuld. Op een dergelijk voorstel van belanghebbende dient de gemeente binnen 8 weken na ontvangst te beschikken.
Indien de betalingsregeling tot stand komt en belanghebbende vervolgens op enig moment zijn betalingen staakt, is het van belang dat de gemeente het heft in handen neemt c.q. kan nemen. Zie hiertoe het gestelde in lid 1 sub b van het artikel: de vordering is in dat geval weer ineens opeisbaar c.q. de gemeente is niet langer gehouden aan betalingsregeling.
Artikel 14 — aflossinqsverplichting
De aflossingsverplichting ingevolge beleidsregel 10 wordt berekend naar draagkracht. In het onderhavige artikel 12 zijn deze draagkrachtregels neergelegd. Hierbij gelden de navolgende uitgangspunten:
Lid 1: Mensen met een inkomen op bijstandsniveau hebben een aflossingsverplichting van 7,5% van de voor hun geldende toepasselijke bijstandsnorm. De toevoeging “exclusief vakantiegeld” betekent dat belanghebbenden volledig de beschikking blijven houden over het vakantiegeld. Op deze manier wil de gemeente, vanuit het oogpunt van armoedebeleid, debiteuren financieel tegemoet komen.
Lid 2: In geval van een fraudeschuld hebben mensen met een inkomen op bijstandsniveau een zwaardere aflossingsverplichting als in geval van een niet-fraudeschuld (lid 1): het te ontvangen vakantiegeld en de eventueel te ontvangen langdurigheidstoeslag dient ook ter aflossing door belanghebbenden te worden aangewend.
Wel is het zo dat ook bij fraudeurs een percentage van 7,5% wordt gehanteerd in plaats van 10% zoals veel gemeenten doen (aansluitend bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin is bepaald dat de beslagvrije voet 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt). Achterliggende gedachte bij deze keuze is de berekeningssystematiek ingevolge Rv. Ingevolge artikel 475d lid 5 Rv kan de gemeente formeel niet volstaan met het bepalen van een percentage van 10% maar dienen correctiefactoren als ziektekosten en woonlasten in ogenschouw te worden genomen waardoor in de praktijk het aflossingspercentage van 10% veelal ten gunste van de debiteur dient te worden gesteld op een lager percentage.
Om praktische redenen heeft Vlaardingen dan ook gekozen om ook in geval van fraudeschulden 7,5% aflossingsverplichting te hanteren in plaats van 10%. Op deze manier wordt voorkomen dat de medewerker terugvordering en verhaal telkens opnieuw een berekening dient te maken op basis van door belanghebbende te verstrekken gegevens en wordt anderzijds voorkomen dat de gemeente in strijd met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering handelt door zondermeer een aflossing van 10% te hanteren. In geval van lid 5 ligt het evenwel anders.
Lid 3: Indien mensen een inkomen hebben boven bijstandsniveau wordt qua aflossingsverplichting een nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen fraude- en niet fraudevorderingen. In geval van fraudevorderingen bedraagt de aflossing 10% van de bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) plus 60% van het verschil tussen het netto inkomen (inclusief vakantiegeld) en de netto bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag). In geval van andere vorderingen bedraagt de aflossing 7,5% plus 50% van het verschil.
Lid 4: Vanwege de zogenaamde armoedeval-problematiek alsook een financiële stimulans tot werkaanvaarding, is bepaald dat mensen na beëindiging van hun uitkering nog voor 18 maanden worden gelijkgesteld met uitkeringsgerechtigden als het gaat om het bepalen van de aflossingsverplichting.
Lid 5: Ingevolge de leden 1 tot en met 4 staat de gemeente Vlaardingen voor een invorderingsbeleid dat soepeler is dan de wettelijke norm ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitgangspunten van een dergelijk beleid kunnen evenwel teniet worden gedaan in geval van beslaglegging door een derde. In geval een andere schuldeiser gaat invorderen met inachtneming van de beslagvrije voet, wordt de financiële armslag zoals de gemeente Vlaardingen die aan mensen gunde niet meer gevoeld. Immers het volledige inkomen boven de beslagvrije voet wordt aan schuldeisers afgedragen, deels aan de gemeente, deels aan andere schuldeiser(s).
In dergelijke gevallen staat het de gemeente Vlaardingen vrij om alsnog tot invordering over te gaan conform Rv. Let wel, het gaat hier om een zogenaamde “kan”- bepaling. Het betreft dus geen verplichting. Achterliggende gedachte daarbij is om de medewerkers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ruimte te geven om, indien een dergelijke situatie ontstaat, met de andere schuldeiser(s) in gesprek te treden en afspraken over de inning /verdeling van de in te vorderen gelden te maken.
Het wettelijke recht van de schuldeiser moet daarbij eerbiedigt worden. Dit betekent dat de wettelijke regels dienaangaande van toepassing blijven wanneer de schuldeiser daar aanspraak op maakt.
Artikel 15 — afbetaling in 36 maanden
Om praktische redenen kan een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende achterwege blijven indien de belanghebbende aan de gemeente een betalingsvoorstel doet waardoor de schuld binnen 36 maanden is afbetaald. Het minimale te hanteren aflossingsbedrag is in dat geval gelijk aan 7,5% van de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag die voor belanghebbende zou gelden indien deze zou zijn aangewezen op een bijstandsuitkering.
Indien het gaat om een fraudevordering dan wel belanghebbende in het verleden herhaaldelijk zijn betalingsverplichting niet afdoende is nagekomen, kan de gemeente ingevolge lid 2 besluiten om niet op het betalingsvoorstel van belanghebbende in te gaan en alsnog een aflossingsverplichting te hanteren.
Artikel 16— aflossingscapaciteit en vermogen
Ingevolge dit artikel heeft de gemeente de mogelijkheid om (deels) af te zien van een maandelijkse betalingsregeling indien blijkt dat belanghebbende beschikt over vermogen dat hij redelijkerwijs ten gelde kan maken.
De berekening is conform het gestelde in artikel 34 WWB. Het vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 lid 3 WWB blijft buiten beschouwing.
Artikel 17— tussentijdse wijziging van aflossingsverplichting door het college
Een eenmaal door het college vastgestelde aflossingsverplichting kan door het college in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek draagkracht.
Artikel 18— verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door belanghebbende
De belanghebbende kan altijd een verzoek indienen bij het college tot een wijziging van de vastgestelde aflossingsverplichting. Met inachtneming van de Awb, neemt het college vervolgens een tijdig besluit.
Artikel 19 — betalingsherinnering. aanmaning, verrekening. beslaQ en rente
De gemeente Vlaardingen heeft ervoor gekozen om bij uitblijven van tijdige betaling tweemaal een herinneringsbrief te versturen eventueel gevolgd door een aanmaning. De betalingstermijnen worden in de correspondentie gesteld op 10 dagen.
Is evenwel sprake van een belanghebbende die al eerder (binnen een periode van een jaar) nalatig is geweest met tijdige betaling, dan behoeft een dergelijke aanmaning niet verstuurd te worden (lid 4). In een dergelijk geval kan de gemeente Vlaardingen direct tot het treffen van zogenaamde executiemaatregelen ingevolge lid 3 overgaan.
De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van:
* verrekening wanneer aan de debiteur tevens een uitkering wordt verleend (sub a);
* het leggen van derdenbeslag (sub b) of
* beslag op roerende of onroerende zaken (sub c).
Verrekening met de uitkering wordt gebaseerd op artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek. Voor deze vorm van verrekenen moet aan de navolgende vereisten worden voldaan:
* er moet een wederkerig schuldenaarschap bestaan. Het gaat hier om het over en weer voldoen van een schuld. De door de belanghebbende te ontvangen bijstand, en de ten onrechte verleende bijstand die moet worden terugbetaald, worden beschouwd als de hier bedoelde wederkerige schuld;
* er moet gelijksoortigheid van schuld en prestatie zijn. Hieruit vloeit voort dat bijstand alleen met bijstand kan worden verrekend.
* er moet een bevoegdheid zijn om betaling van de vordering af te dwingen. Verrekening is een vorm van tenuitvoerlegging. Dit kan niet zonder executoriale titel. Het tenuitvoerleggen van deze titel gebeurt pas als debiteur niet aan de (al dan niet minnelijk) vastgestelde betalingsverplichting voldoet.
Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering. Tussenkomst van een deurwaarder is in dat geval niet nodig.
Artikel 20— afzien van (verdere) invordering
Binnen de debiteurenuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in verhouding staan tot de hoogte van een (restant-) vordering. De doelmatigheidstoets in lid 1 beoogt in die zin nadrukkelijk aan de medewerker terugvordering en verhaal een grote beoordelingsvrijheid te geven om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering van vorderingen <€ 150,00.
Gaat het om (restant-) vorderingen van € 150,00 tot € 5000,00 dan geldt ingevolge lid 2 als aanvullende voorwaarde dat incasso gedurende 5 jaren onmogelijk is gebleken alsook niet aannemelijk is dat belanghebbende in de toekomst tot betaling zal overgaan. Gaat het om (restant-) vorderingen van € 5000,00 of meer dan bedraagt deze termijn, ingevolge lid 3, 10 jaar.
Artikel 21 — verhaalsbevoegdheid
Artikel 13 lnvoeringswet WWB bepaalt dat het college tot de inwerkingtreding van de artikelen 56, 61 en 62 WWB kosten van bijstand kan verhalen in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de Abw.
Het ziet er niet naar uit dat de artikelen 56, 61 en 62 WWB op korte termijn in werking zullen treden. Het was de bedoeling dat deze artikelen in werking zouden treden nadat een nieuw stelsel van (kinder)alimentatie zou zijn ingevoerd. Dit nieuwe stelsel van (kinder)alimentatie zou gestalte hebben moeten krijgen in de vorm van de Wet herziening kinderalimentatiestelsel. Op 9 november 2006 is het voorstel voor een Wet herziening kinderalimentatiestelsel echter ingetrokken. Een ander nieuw stelsel van (kinder)alimentatie is (nog) niet in zicht.
Artikel 13 IWWB is een zogeheten ‘kan-bepaling’. Verhaal is derhalve een bevoegdheid van het college en - anders dan onder de Abw - niet een verplichting. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden verhaald, is lid 1 bij wijze van hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit laat onverlet dat het college ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels, rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook artikel 22 lid 2 van deze regeling (hardheidsclausule) kan een rol spelen.
Artikel 22 — afzien van verhaal
Ingevolge lid 1 wordt van verhaal afgezien indien het verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar. De keuze voor deze beperking is, gelijk artikel 18 van deze beleidsregels, ingegeven door redenen van doelmatigheid c.q. een kosten-baten-analyse.
Let op: conform deze beleidsregel wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit. Dat is iets wezenlijks anders dan het afzien van verhaal in rechte.
Bij dat laatste is wel een verhaalsbesluit genomen, maar wordt vervolgens geen procedure aanhangig gemaakt bij de rechter indien de belanghebbende nalaat tot betaling over te gaan.
Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de gemeente geheel of gedeeltelijk van verhaal kan afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.
In het algemeen kan er sprake zijn van dringende redenen indien bepaalde feiten ertoe nopen om af te zien van verhaal ter bescherming van lijf en geest van de belanghebbende. Uit de aard der zaak kan een dringende reden nimmer financieel van aard zijn: indien de onderhoudsplichtige niet in staat is om bij te dragen in de bijstandskosten is verhaal (tijdelijk) wegens het ontbreken van draagkracht niet mogelijk.
Artikel 23 beoordeling van mate van onderhoudsplicht
Het betreft hier de uitvoering van de zogeheten Trema-normen. Genoemde normen worden door de rechtbank gehanteerd bij de vaststelling van de alimentatie die voorzien in zowel een zogenaamde netto- als een brutoberekening. In afwijking van de Trema-normen wordt door de gemeente het navolgende gehanteerd:
Ter compensatie van diverse emolumenten die voor een bijstandsgerechtigde wel en voor een onderhoudsplichtige niet gelden wordt in het netto-traject van de draagkrachtberekening een forfaitaire aftrek toegepast van €22,69 per maand voor een onderhoudsplichtige zonder kinderen. Voor de onderhoudsplichtige met minderjarige kinderen in zijn gezin is dit bedrag verdubbeld tot €45,38 per maand. Voor wat betreft de reis- en verblijfkosten van de bezoekregeling wordt als een auto noodzakelijk is ten behoeve van de omgangsregeling uitgegaan van een kilometerprijs van € 0,16. Met de kosten in het kader van de omgangsregeling wordt rekening gehouden tot een bedrag ad € 6,81 per dag per kind. Voor het woon-werkverkeer wordt een bedrag ad €0,16 per kilometer in aanmerking genomen, met een maximum van het hoogste tarief van een maandtrajectkaart le klasse. De eventueel van de werkgever ontvangen vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer wordt hierop in mindering gebracht. Bij het omrekenen van de afstand enkele reis naar het aantal kilometers per maand wordt uitgegaan van tweemaal de dagafstand gedurende 5 dagen per week en 47 weken per jaar. Met (de reservering) voor de herinrichtingskosten van degene, die bij de scheiding, waaronder eveneens valt de verbreking van de samenwoning, wordt gedurende maximaal 5 jaar een bedrag ad € 136,13 per maand in mindering gebracht op de draagkracht, als aannemelijk is dat er herinrichtingskosten zijn of moeten worden gemaakt.
In afwijking van de Trema-normen wordt door de gemeente in de draagkrachtberekening rekening gehouden met de spaarloonregeling, als de onderhoudsplichtige aantoont dat hij daaraan daadwerkelijk deelneemt.
Artikel 27— ingangsdatum verhaalsbijdrage
In het kader van de rechtszekerheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van belanghebbende. Let wel: indien de belanghebbende niet overgaat tot betalen en de gemeente een verhaalsprocedure start bij de rechtbank, zal de rechtbank de ingangsdatum van verhaal anders vast stellen indien het tijdvak groot is tussen de door de gemeente vastgestelde ingangsdatum van verhaal en het aanhangig maken van de procedure.
Artikel 28— verhaal in rechte
- Op het moment dat de gemeente een verhaalsbesluit heeft genomen en belanghebbende betaalt niet, dan is een uitspraak van de rechter nodig. De uitspraak van de rechter levert een executoriale titel op.
Artikel 29 — verrekening en beslaglegging
Vanaf het moment van het verkrijgen van een executoriale titel is er geen reden om verhaalsvorderingen anders te bezien dan vorderingen die voortkomen uit terugvordering. Om die reden zijn op grond van dit artikel de invorderingsbepalingen terugvordering dan ook van toepassing op (afdwingbare) verhaalsvorderingen met dien verstande dat de invordering van verhaalsvorderingen gelijk worden gesteld met terugvorderingen niet zijnde fraudevorderingen.
Artikel 30— (her-) onderzoek naar draagkracht
Verhaalsonderzoeken zijn intensief en blijken in de praktijk slechts in beperkte mate te leiden tot gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage. Om die reden is in dit artikel het uitgangspunt neergelegd dat een verhaalsonderzoek eenmaal per 36 maanden plaatsvindt. Deze onderzoeksfrequentie in combinatie met de criteria zoals neergelegd in lid 2, moeten er toe leiden dat de belasting van de medewerker terugvordering en verhaal op dit terrein wordt verminderd (efficiency en effectiviteit).
Artikel 32 — afzien van (verdere) invordering
Binnen de verhaalsuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in verhouding staan tot de hoogte van een (restant-) vordering. De doelmatigheidstoets in lid 1 beoogt in die zin nadrukkelijk aan de medewerker terugvordering en verhaal een grote beoordelingsvrijheid te geven om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering van vorderingen <€ 150,00.
Gaat het om (restant-) vorderingen van € 150,00 tot€ 5000,00 dan geldt ingevolge lid 2 als aanvullende voorwaarde dat incasso gedurende 5 jaren onmogelijk is gebleken alsook niet aannemelijk is dat belanghebbende in de toekomst tot betaling zal overgaan. Gaat het om (restant-) vorderingen van € 5000,00 of meer dan bedraagt deze termijn, ingevolge lid 3, 10 jaar.
Artikel 33 — nadere invulling van beleid
Het college kan deze beleidsregels nader uitwerken in een beleidsnotitie en/of het Vlaardings handboek.
Artikel 34— inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009 en vervangt per die datum de bestaande beleidsregels/werkwijze inzake terugvordering en verhaal.
De hoofdregel is dus dat deze nieuwe regeling niet alleen geldt voor situaties van terug- en invordering en verhaal gelegen na datum inwerkingtreding, maar ook voor reeds bestaande rechtsverhoudingen op die datum.
Artikel 35— citeertitel
Behoeft geen verdere toelichting.