| Overheidsorganisatie: | gemeente Vlaardingen |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling: | Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003 |
| Citeertitel: | Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003 |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld): | |
| Besloten door: | gemeenteraad |
| Onderwerp: | bestuur en recht |
Nationale wetgeving
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 01-01-2004 | nieuwe regeling | 10-12-2003 Gemeenteblad,
2004, 01. 8-1-2004 |
DCO/2006/52667
|
| Verordening Burgerinitiatief Vlaardingen 2003 | + |
De raad plaatst een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn vergadering, indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.
Ongeldig is een verzoek dat:
1. niet door ten minste 74 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund;
2. een onderwerp als bedoeld in artikel 4 bevat, of
3. niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5.
1. Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad alsmede ingezetenen van de gemeente van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de gemeenteraad.
2. Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigheid is voldaan, is de toestand op de dag van indiening van het verzoek bepalend.
Een burgerinitiatiefvoorstel is ongeldig indien het betreft:
1. een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad;
2. een vraag over het gemeentelijk beleid;
3. een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over een gedraging van een bestuursorgaan;
4. een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van een bestuursorgaan, of
5. een onderwerp waarover tijdens een raadsperiode waarin indiening van het voorstel plaatsvindt door de raad een besluit is genomen. Met dien verstande dat tenminste twee jaar is gelegen tussen de datum van indienen van het burgerinitiatiefvoorstel en de datum waarop door de voorgaande raad een besluit is genomen.
1. Voordat een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt ingediend, moet eerst een inleidend verzoek worden ingediend bij de griffier.
2. Het inleidend verzoek bevat ten minste:
- een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel
- een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel
- de achternaam, de voornaam, het adres, het telefoonnummer, geboortedatum en handtekening van de verzoeker.
3. Een panel van raadsleden, ondersteund door de griffier beoordeelt of het inleidend verzoek zich leent voor een burgerinitiatiefvoorstel. Hierna kan een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad worden ingediend.
4. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 van deze verordening opgenomen model.
1. Een verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt schriftelijk ingediend bij de burgemeester.
2. Het verzoek bevat ten minste:
1. een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel;
2. een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel;
3. de achternaam, de voornamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de verzoeker en zijn plaatsvervanger, en
4. een lijst met de voornamen, achternamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen.
3. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van de in bijlage 2a en 2b van deze verordening opgenomen modellen.
1. De raad beslist in de eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt geplaatst, met dien verstande dat ten minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het verzoek en de dag van de vergadering, waarin de raad over het verzoek beslist.
2. Indien de raad het verzoek afwijst wegens strijd met artikel 4, onder a, kan de raad het voorstel doorzenden aan burgemeester en wethouders.
3. Indien de raad het verzoek toewijst, dan agendeert hij het burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende vergadering van de raad.
4. De burgemeester nodigt de verzoeker schriftelijk uit voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatiefvoorstel mondeling nader toe te lichten.
5. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen, wordt dit besluit bekend gemaakt door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud ervan op de gemeentepagina van Groot Vlaardingen en op de internetsite dan wel op een andere geschikte wijze.
6. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan de verzoeker.
1. De burgemeester brengt over elk jaar als onderdeel van het burgerjaarverslag verslag uit over de werking van het recht van burgerinitiatief in de praktijk.
2. Een evaluatie van deze verordening vindt jaarlijks plaats door de commissie Bestuurlijke organisatie, Financiën en Veiligheid.