| Overheidsorganisatie: | gemeente Vlaardingen |
|---|---|
| Officiële naam van de regeling: | Beleidsregels ontheffing inburgeringsplicht gemeente Vlaardingen 2011 |
| Citeertitel: | Beleidsregels ontheffing inburgeringsplicht gemeente Vlaardingen 2011 |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld): | |
| Besloten door: | college van burgemeester en wethouders |
| Onderwerp: | algemeen |
Nationale wetgeving
Geen.
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Ontstaansbron / Inwerkingtreding: Datum ondertekening; bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 31-03-2011 | nieuwe regeling | 22-03-2011 Gemeenteblad, 2011, 20, 30-03-2011 | VLD/2011/6668 |
| Beleidsregels ontheffing inburgeringsplicht gemeente Vlaardingen 2011 | + |
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;
overwegende dat het college in beleidsregels wil vastleggen hoe het zijn bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht, zal uitoefenen;
gelet op de artikelen 6, tweede lid, onder a en 31 tweede lid, onder c van de Wet inburgering en de artikelen 2.8a en 5.5 van het Besluit inburgering;
besluit vast te stellen de volgende
Beleidsregels ontheffing inburgeringsplicht gemeente Vlaardingen 2011
In deze nadere regels wordt verstaan onder:
a. de inburgeringsplichtige: de persoon die op grond van de artikelen 3, 5 en 6 van de Wet inburgering inburgeringsplichtig is.
b. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen.
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 en artikel 31, tweede lid onder c van de Wet inburgering en artikel 2.8a en artikel 5.5, derde lid van het Besluit inburgering, verleent het college op aanvraag ontheffing van de inburgeringsplicht, met in achtneming van de leden 2 tot en met 6 van artikel 2, als:
a. het college van oordeel is dat door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen zijn geleverd, en
b. het college tot het oordeel komt dat het voor de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen, of
c. het college van oordeel is dat de inburgeringsplichtige aantoonbaar voldoende is ingeburgerd.
2. Bij het vaststellen van het bepaalde in lid 2, onder a en b wordt onderscheid gemaakt tussen inburgeringsplichtigen en alfabetiserende inburgeringsplichtigen.
3. Een inburgeringsplichtige heeft voldoende aantoonbare inspanningen geleverd als hij:
a. deelneemt of heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus die de inburgeringsplichtige zelf heeft gekocht bij een taalaanbieder, bij voorkeur met een Keurmerk Inburgering, óf deelneemt of heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus die het college heeft aangeboden en opleidt naar het vereiste niveau, en
b. daadwerkelijk minimaal 12 maanden aan de cursus heeft deelgenomen na het in werking treden van de Wet Inburgering, en
c. minimaal 65% van de lessen heeft bijgewoond, en
d. minimaal 2 keer aan het examen heeft deelgenomen.
4. Het college beoordeelt of een inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen aan de hand van de volgende gegevens:
a. een verklaring van de taalinstelling, waarin is aangegeven dat de inburgeringsplichtige het leervermogen ontbeert om ooit het inburgeringsexamen te behalen, óf
b. de (slechte) resultaten van het afgelegde inburgeringsexamen waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige blijvend niet in staat zal zijn het inburgeringsexamen te behalen, waarbij:
- de inburgeringsplichtige in ieder geval tenminste één keer is opgegaan voor het onderdeel Toets Gesproken Nederlands, en
- een verklaring van de taalinstelling wordt overgelegd.
5. Een alfabetiserende inburgeringsplichtige heeft voldoende aantoonbare inspanningen geleverd, als hij:
a. deelneemt of heeft deelgenomen aan een alfabetiseringstraject (voortraject WI) dat opleidt naar het vereiste niveau, en
b. daadwerkelijk minimaal 24 maanden aan de cursus heeft deelgenomen, en
c. minimaal 65% van de lessen heeft bijgewoond, en
d. een toetsing alfabetisering heeft afgelegd die aantoont dat er geen hoger taalniveau bereikt kan worden binnen de gestelde termijn, en
e. de portfolio-opdrachten van de alfabetisering heeft afgerond.
6. Het college beoordeelt of een alfabetiserende inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen aan de hand van een verklaring van de taalinstelling, waarin is aangegeven dat de alfabetiserende inburgeringsplichtige het leervermogen ontbeert om het inburgeringsexamen te behalen en op te gaan voor de Toets Gesproken Nederlands.
7. De inburgeringsplichtige is voldoende ingeburgerd als hij:
a. op het moment van de aanvraag aantoonbaar minimaal 5 jaar rechtmatig in Nederland verblijft, en
b. verklaart duurzaam, minimaal vijf jaar, in Nederland te participeren of te hebben geparticipeerd. Participatie kan bestaan uit werk, gemiddeld 3 uur per week structureel vrijwilligerswerk en/of (bedrijfs)opleiding die niet in het opleidingenoverzicht van DUO is opgenomen en vrijstelling geeft, en
c. naar het oordeel van het college beschikt over minimaal taalniveau A2 voor alle vaardigheden en dit aantoonbaar in het dagelijkse leven gebruikt.
Het college beoordeelt het verzoek om ontheffing op basis van bewijsstukken die door de inburgeringsplichtige worden aangeleverd. Deze bewijsstukken dienen aantoonbaar te maken dat aan de in artikel 2 gestelde criteria is voldaan.
Het college handelt overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer inburgeringsplichtigen gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Dit besluit wordt aangehaald als “Beleidsregels ontheffing inburgeringsplicht gemeente Vlaardingen 2011”.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Vlaardingen van 22 maart 2011.
De secretaris, De burgemeester,
ir. C. Kruyt mr. T.P.J. Bruinsma
In deze beleidsregels wordt uitgewerkt op welke wijze het college omgaat met het verlenen van een ontheffing van de inburgeringsplicht en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Ook wordt beschreven welke stappen worden doorlopen om te bepalen of een inburgeringsplichtige ontheven wordt van de inburgeringsplicht op grond van voldoende geleverde aantoonbare inspanningen of het voldoende ingeburgerd zijn.
Lid 1:
Wanneer het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen, verleent het college ontheffing van de inburgeringsplicht (Wet Inburgering, artikel 31, lid 2 onderdeel c). En indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige geleverde bewijzen tot het oordeel komt dat de inburgeringsplichtige voldoende is ingeburgerd, verleent het college ontheffing van de inburgeringsplicht (Wet Inburgering, artikel 6, lid 2 onderdeel a en Besluit inburgering artikel 2.8a).
Op grond van de Wet inburgering kan niet eerder dan zes maanden voor het verstrijken van de inburgeringstermijn een ontheffing worden aangevraagd. Maar het college kan deze termijn buiten toepassing laten, indien toepassing daarvan naar zijn oordeel, gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen of het voldoende ingeburgerd zijn, zou leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
Bij de beoordeling of een inburgeringsplichtige op basis van geleverde inspanningen het examen redelijkerwijs niet heeft kunnen behalen, wordt als eerste vastgesteld of er sprake is van verwijtbaarheid. Hierbij worden de volgende aspecten betrokken:
a. de mate waarin betrokkene tijdig en voldoende meewerkt aan het inburgeringsonderzoek;
b. Het feit dat betrokkene zich zelfstandig heeft aangemeld voor een inburgeringscursus (positief van invloed);
c. de mate waarin betrokkene heeft deelgenomen aan de inburgeringscursus en heeft voldaan aan de plichten die daaraan verbonden zijn;
d. Het feit dat betrokkene heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen (positief van invloed);
e. tijdens voortgangsgesprekken bij de gemeente vastgesteld verwijtbaar gedrag van betrokkene (negatief van invloed);
f. opgelegde boetes wegens verwijtbaar gedrag (negatief van invloed);
g. overige bewijzen die betrokkene overlegt om de afwezigheid van verwijtbaarheid aan te tonen.
Lid 3 t/m 6:
Om vast te stellen of de (alfabetiserende) inburgeringsplichtige aantoonbare inspanningen heeft geleverd en of hij redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen wordt de volgende procedure gevolgd:
- vaststellen of de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen tijdig heeft behaald óf de verwachting dat dit zal gaan gebeuren;
- vaststellen of de inburgeringsplichtige aantoonbare inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen te behalen;
- vaststellen of de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;
- vaststellen of de inburgeringsplichtige verwijtbaar heeft gehandeld;
- vaststellen of er verzachtende individuele omstandigheden voor de inburgeringsplichtige zijn;
- vaststellen of er ontheffing van de inburgeringsplicht moet worden gegeven.
Om te bepalen of er ontheven moet worden op grond van voldoende aantoonbare inspanningen en het redelijkerwijs niet in staat zijn het inburgeringsexamen te behalen, wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige. Als op basis van de individuele omstandigheden door het college wordt ingeschat dat in de toekomst het wel mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen, dan wordt een verlenging afgegeven. De verlenging heeft de duur van de termijn die door de consulent op basis van de individuele omstandigheden redelijk wordt geacht voor het alsnog halen van het examen. Als het college inschat dat de individuele omstandigheden in de toekomst niet zullen wijzigen en de inburgeringsplichtige voldoende inspanningen heeft geleverd maar redelijkerwijs niet in staat is of zal zijn het inburgeringsexamen te behalen, wordt gekozen voor het afgeven van een ontheffing van de inburgeringsplicht.
Lid 7:
Om te beoordelen of een (alfabetiserende) inburgeringsplichtige voldoende ingeburgerd is, worden de volgende stappen doorlopen:
- vaststellen of de inburgeringsplichtige bereid is een Korte Vrijstellingstoets, het inburgeringsexamen of het Staatsexamen af te leggen;
- vaststellen of de inburgeringsplichtige voldoende is ingeburgerd;
- vaststellen of de ontheffing van de inburgeringsplicht moet worden gegeven.
Het college vindt een termijn van minimaal 5 jaar verblijf in Nederland redelijk om de Nederlandse taal op taalniveau A2 te verkrijgen en in Nederland in enige vorm te hebben kunnen participeren. Dit kan zijn werk, gemiddeld 3 uur per week structureel vrijwilligerswerk en/of (bedrijfs)opleiding die niet in het opleidingenoverzicht van DUO is opgenomen en vrijstelling geeft.
De bewijsstukken dienen als onderbouwing bij de beoordeling op de verschillende onderdelen en moeten aantonen dat de inburgeringsplichtige voldoet aan de gestelde eisen. Het staat de inburgeringsconsulent vrij om aanvullend bewijsmateriaal te vragen.
Bij bewijsstukken waardoor wordt aangetoond dat er voldoende aantoonbare inspanningen zijn geleverd en dat de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet in staat is het examen te behalen, kan gedacht worden aan de volgende stukken:
- een verklaring van de taalinstelling;
- een presentieoverzicht;
- de taaltoetsresultaten van de taalinstelling van minder dan 5 jaar oud;
- een bewijs van deelname aan het inburgeringsexamen;
- de resultaten van het inburgeringsexamen;
- een bewijs dat TGN op niveau A2 is behaald;
- een bewijs dat de portfolio-opdrachten alfabetisering zijn behaald;
- een rapportage van driegesprekken;
- de uitslag van de leervermogenstoets.
Of een inburgeringsplichtige voldoende ingeburgerd is kan blijken uit de volgende bewijsstukken:
- een arbeidscontract;
- een verklaring van de werkgever of de vrijwilligersinstelling waarvoor de inburgeringsplichtige werkt of vrijwilligerswerk verricht;
- een verklaring van de school;
- een diploma of certificaat waaruit blijkt dat een opleiding of cursus met goed gevolg is afgerond;
- de tentamenuitslagen
- de taaltoetsresultaten van de taalinstelling van minder dan 5 jaar oud;
- bewijzen van bestuurs- en vrijwilligersfuncties;
- de oprichtingsakten bedrijf
- de inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
- Suwinet inkijk;
- GBA: aantal jaren in Nederland (minimaal 5 jaar).
Ingevolge artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht handelt het college overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor de inburgeringsplichtige gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Het college kan in individuele situaties afwijken van de beleidsregels, voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Gedacht kan worden aan de volgende situaties:
a. Indien de alfabetiserende inburgeringsplichtige nauwelijks vooruitgang boekt, waarbij de taalaanbieder en de inburgeringsconsulent het advies geven ontheffing te verlenen, zou het minimum van 24 maanden vervangen kunnen worden door minimaal 12 maanden (artikel 2, lid 4, onder b);
b. Indien de inburgeringsplichtige met niet-verwijtbare redenen kan onderbouwen waarom het minimum van 65% aanwezigheid in de lessen niet is gehaald, kan van het minimum van 65% worden afgeweken. Onder verwijtbaarheid wordt verstaan die omstandigheid waarin de inburgeringsplichtige bewust nagelaten heeft bepaalde maatregelen te treffen die binnen zijn (directe) invloedssfeer liggen of bewust nagelaten heeft activiteiten te ondernemen die voortvloeien uit de Wet Inburgering of de Participatieverordening Gemeente Vlaardingen 2010 (artikel 2, lid 4, onder c en lid 5, onder c);
c. Indien de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet in staat is ooit op te gaan voor het inburgeringsexamen en het te behalen, zou het minimum van 2 keer opgaan voor het inburgeringsexamen niet van toepassing kunnen zijn. Dit geldt ook voor de inburgeringsplichtige die het inburgeringsexamen 1 keer heeft afgelegd en zulke slechte resultaten heeft behaald waardoor verondersteld kan worden dat de inburgeringsplichtige blijvend niet in staat zal zijn het inburgeringsexamen te behalen (artikel 5, onder d).