Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan van deze hoofdregel worden afgeweken, te weten:
-
als de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating, en;
-
hij slechts kan beschikken over een vermogen dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens.
In dat geval kan gewacht worden met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is.
In de toekenningsbeschikking moet dan de mededeling worden opgenomen dat het vermogen na afwikkeling van de echtscheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd.
Voorbeeld
Annelies vraagt bijstand aan.
Tijdens het intakegesprek blijkt dat Annelies gaat scheiden van haar man Kees. Annelies en Kees beschikken over een huis met een waarde van € 150.000,00 waarop een hypotheek rust van € 110.000,00. Daarnaast is er een spaarrekening met een saldo van € 12.000,00. Afgesproken is dat Kees in het huis blijft wonen. Annelies kan over het volledige spaartegoed beschikken.
De aanvraag om bijstand moet worden afgewezen.
Nu Annelies kan beschikken over een vermogen dat ruim boven de voor haar geldende vermogensgrens ligt, is het niet nodig om de vermogenstoets uit te stellen tot na de afwikkeling van de echtscheiding. Indien er geen spaarrekening was geweest kon de aanvraag worden toegewezen met uitstel van de vermogenstoets.