In Vlaardingen zijn dat de altijd Kool- en/of de Pimpelmees.
Behalve deze twee straks te bespreken soorten komen er al dan niet periodiek nog twee mezensoorten voor in Vlaardingen. Ze hebben een wat andere leefwijze dan de Pimpel- en Koolmees. Die bespreken we eerst.
Matkop
De Matkop is een mees die je soms in oude verruigde bossen met veel dode bomen vindt. In West-Nederland komt hij veel minder voor dan in de oostelijke helft van ons land. Het is een specialist die dode bomen met zacht hout nodig heeft. In de Broekpolder vinden we veel van zulke bomen. Dank zij de stormen van enkele jaren geleden staan daar veel Canadese populieren met uitgewaaide toppen en een groot gedeelte daarvan is afgestorven. Daarin kan de Matkop goed een nestholte hakken. Met zijn gespierde nek (“Stierennek”) is hij de enige mees in ons land die dat doet. Deze bijzondere leefwijze heeft wel tot gevolg dat hij niet overal evenveel voorkomt en in Zuid-Holland gaat het momenteel slecht met hem. Daarom zijn wij erg verheugd dat de Broekpolder één van de twee plaatsen in onze provincie is waar het juist goed met hem gaat. Er broedden dit jaar tenminste 5-6 paar in de Broekpolder!
De Matkop is een grijsachtige mees met een dof zwarte kopkap (“pet”) en een lichte veeg over de gesloten vleugel. Al vroeg in het voorjaar kun je de karakteristieke tju-tju-tju-tju zang van het mannetje horen. De nasale contactroep is het hele jaar door in de populierenaanplant te horen.
Op andere plaatsen in ons land is nog een dubbelganger, maar die komt in Vlaardingen niet voor.
Zwarte mees
De Zwarte mees komt periodiek in Vlaardingen voor. Het is een vogel die in ons land vooral in naaldbossen leeft en de verspreiding komt in grote lijnen overeen met die van de Matkop. Vlaardingse broedgevallen zijn ons niet bekend maar in sommige jaren, zoals dit jaar, kan hij in het najaar massaal over Vlaardingen naar het zuiden doortrekken. De Grove den in de Heemtuin werd in oktober en begin november regelmatig korte tijd door een klein groepje van deze mezen bezet. Ook in het Natuurpark in de Holy hebben we ze in deze periode vaak in de dennenbomen gehoord en gezien. Momenteel zijn ze vrijwel allemaal weer verdwenen naar zuidelijker gelegen dennenbossen om daar te overwinteren. In het voorjaar zullen ze weer naar de broedgebieden in ons land en noordelijker landen terugkeren. In het binnenland en plaatselijk in de duinstrook overwinteren (en broeden) ze in de naaldbossen.
Zwarte mezen zien er uit als een te klein formaat Koolmees met grauwe kleur. Een grote zwarte bef omsluit de witte wang en op het achterhoofd hebben ze een witte nekvlek. Ook de twee witte vleugelstrepen zijn opvallend. Met wat geluk zijn er enkele bij u in de buurt blijven hangen en kunt u ze deze winter op het vogelvoer in de tuin bewonderen. We horen het graag want het kan best weer een aantal jaren duren voordat er weer zo’n grote trekgolf plaatsvindt.
De Staartmees is een vogel die we ook in de tuin kunnen aantreffen maar ondanks de naam is hij geen mees en deze wordt een andere keer besproken.
Koolmees
De Koolmees is door heel Nederland een zeer algemene mees. Hierdoor is het een van de eerste vogels die de meeste mensen leren kennen. Door zijn voor een mees forse formaat en zijn prachtige gele buik met zwarte “stropdas” is hij onmiskenbaar. In elke goed opgehangen nestkast in de stad kan een paartje tot broeden komen. Voorwaarde is wel dat er geen twee nestkasten vlak bij elkaar hangen want dan zal een van de paartjes gewoonlijk toch verdwijnen of niet tot broeden komen en soms geldt dat zelfs voor beide paartjes.
Om deze tijd van het jaar willen ze graag van de vetbollen, pindaslierten of de neergestrooide koolzaadzaden en zonnepitten in de tuin komen eten. De vetten en oliën die er in zitten zijn goede vervangers voor de dierlijke vetten en eiwitten die ze ’s zomers met insecten binnen krijgen.
Op zonnige dagen aan het eind van januari beginnen de eerste mannetjes al met zingen. Het liedje is een langdurig herhaald twee-tonig, tie-tie-tuu, tie-tie-tuu of tuu-tie-tie, tuu-tie-tie of een variatie ervan. Behalve aan de zang zijn de mannetjes aan de bredere stropdas van de vrouwtjes te onderscheiden.
Huisvesting
De nestkastjes waarin ze broeden moeten een ronde invliegopening hebben van 28 tot 30 mm. Is het gat groter dan verjagen de Huismussen of Spreeuwen de Koolmezen. Is het 2 mm kleiner, dan is de Pimpelmees de gelukkige bezitter van de kast. De nestkast kan het beste met de invliegopening naar het noorden of oosten opgehangen worden op een plaats waar geen hete middagzon komt om dood koken van de jongen te voorkomen. Het is beter om geen stokje onder de opening te hebben, ivm Katten en andere rovers. Ook mag het nestkastje aan de binnenkant niet geschilderd of met andere middelen tegen rot behandeld worden. Wat de mees betreft mag het hout best wat rot zijn, dan ruikt het tenminste “lekker”, naar de natuurlijke nestplaats in oude rotte boomholten.
Mocht u zelf een nestkastje maken let er dan op dat de bodem niet in maar onder de vier zijplankjes komt. Wanneer het hout vochtig wordt zouden de zijplanken als gevolg van een uitzettende bodem kieren kunnen krijgen. De jonge vogels kunnen dan door longontsteking doodgaan. De plankjes mogen niet verlijmd worden. Helaas zijn nog steeds veel te koop aangeboden nestkasten niet op deze wijze in elkaar gezet.
Als de kast op zijn plek hangt en er door condensvorming water op de bodem komt dan kan met de accu-boor een gaatje op het laagste punt in de bodem worden gemaakt.
Aan het eind van de zomer moet het oude nest uit de kast worden gehaald om te voorkomen dat er een vlooienplaag in komt. In dat geval zullen de vogels er niet meer naar terugkeren. Als het nest is verwijderd zullen ze er in koude winternachten in slapen. De kans is dan groot dat er al vroeg in het voorjaar een paartje tot broeden komt in de kast.
Pimpelmees
Net als de Koolmees kun je de Pimpelmees ook in elke tuin verwachten. Het is de behendigste mees die we hebben. Vaak hangt hij in een boom op zijn kop aan het eind van een twijgje te bungelen. Hij is een slag kleiner dan de Koolmees en ook wat bleker geel. De stropdas is gereduceerd tot een klein streepje dat vaak amper zichtbaar is. Verder heeft hij een licthblauwe pet op de kop en ook de vleuegels zijn blauw. Het is onze enige mees met een donkere dwarsstreep vanaf de snavelbasis tot op het achterhoofd. Mannen en vrouwen lijken sterk op elkaar. Het beste is het mannetje te herkennen aan zijn driedelige zang. Ti-ti tie-ie-ie-ie-ie met in het laatste deel een aflopende triller.
Ook de Pimpelmees is een insecteneter en komt net zo goed op het wintervoer als zijn grote broer. De nestkast moet een wat kleinere invliegopening hebben, 26 – 28 mm.