Ze haalt het niet bij Haarlem, Delft of Leiden,
Geplunderd, ja, zelfs platgebrand weleer,
Doorbulderd door A-20 snelverkeer
En tranentrekkend soms haar overzijde.
(Maar toch mijn stokpaard, háár wil ik berijden!)
Geen gat, geen dorp, maar weinig méér dan beide:
Het woordje ‘trots’, dat past haar niet zozeer.
Ze haalt het niet bij Haarlem, Delft of Leiden.
Betaamt haar dus het predicaat bescheiden
En tipte niemand Rembrandt of Vermeer,
Ík hou van haar (ja, júíst als ik haar scheer),
Niettegenstaande dat vermaledijde
‘Ze haalt het niet bij Haarlem, Delft of Leiden’.
Die uitspraak kon ik makkelijk vermijden,
Maar ja, de clou, die was dan nergens meer,
En ‘Was sich liebt…’, hoe was het ook al weer?
Dus laat me haar met deze kreet kastijden:
‘Ze haalt het niet bij Haarlem, Delft of Leiden’.
Dat krant en website nu lokaal verspreide
(Daarin trek ik tweewekelijks van leer)
Wat ik hier maar met moeite celebreer
(Want haringkoppen door de ziel moet snijden):
‘Ze haalt het niet bij Haarlem, Delft of Leiden’.
Aat Rolaff
Stadsdichter 2010-2011