OORLOG EN VREDE
Er zitten woorden in mijn hoofd die ieder jaar
Opnieuw zich niet tot wat ik zeggen wil verdichten.
Het is hetgeen ik niet bij machte ben te uiten,
Al gaan de jaren langzaam een voor een voorbij.
Ik zag niet eens zo veel, en dan, wat zou een kind
Ook lijden van de dingen die het niet begrijpt:
Gefluister en het plotse, onverhoedse zwijgen,
Een neus die keer op keer verholen wordt gesnoten.
Ook was het zwijgen plicht wanneer je kinderoren,
Stil spelend in een kamerhoek, aanwezig bleken,
En als de lippen van de mond die daarbij hoorde
Zich met een vraag die niet gesteld mocht worden, roerden.
Dit was mijn oorlog: die van het gissend kindzijn,
En toen het eenmaal vrede was de mond vol stenen.
Aat Rolaff
Stadsdichter 2010-2011