Ik ging er heen, want wou wel wat beleven,
Maar door de herrie werd ik snel verdreven.
M’n oren daar niet zo op ingesteld,
Hees ik het zeil, waar ik ’t had willen reven.
Ik zag nog wel dat hele drommen bleven,
Aan band en beat en bootjes bleven kleven
Van ‘t festival, als ‘haringkops vermaak’
En ‘braderie’, een beetje bot omschreven.
Toch hoeft ‘t voor mij beslist niet opgeheven,
Dat is ook niet wat ik hier na wil streven.
Uw dichter is als trieste minderheid
De laatste niet om dat grif toe te geven.
Ik voel me waarlijk niet te hoog verheven.
Als ik geen 4 zou zijn + 10 x 7,
Dan had ik niet - daar ben ik zeker van -
Zo ploertig snel m’n rug te zien gegeven.
Maar ’k weet nog van een echte vissersvloot,
Gepavoiseerd, wat dat voor aanblik bood.
Toen échte loggers in de haven dreven,
Toen Vlâring haring was, en daarin groot...
Aat Rolaff
Stadsdichter 2010-2011